Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 20 oktober 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:4166
werkneemster/werkgever
X en Y zijn in 2006 een samenwerkingsverband aangegaan. In 2010 is Y een onderzoek gestart naar vermeende vervalsingen van handtekeningen onder versterkingspolissen door X. X heeft de samenwerking opgezegd met ingang van 1 januari 2011, waarna Y in de huidige vorm (eenmanszaak) onder de naam ‘Z Financiële Diensten’ is verdergegaan. Werkneemster, de echtgenote van X, is werkzaam voor Y als administratief medewerkster. Werkneemster heeft zich op 29 september 2011 arbeidsongeschikt gemeld (tot deze datum was X nog werkzaam als freelancer voor Y). Werkneemster is uiteindelijk op 3 maart 2012 op staande voet ontslagen wegens vermeende betrokkenheid bij de vervalsingen van X.
Het hof oordeelt als volgt. Het deskundigenoordeel vermeldt tevens dat het voortdurende onopgeloste conflict (met de werkgever) als uitlokkende factor van deze medische ongeschiktheid kan worden beschouwd. De kantonrechter heeft derhalve terecht aangenomen dat de arbeidsongeschiktheid ook situatief van karakter is. Voor zover de grief daartegen opkomt faalt zij. Dit brengt echter niet mee dat als beoordelingsmaatstaf heeft te gelden de op artikel 7:628 BW gebaseerde rechtspraak (HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7669). Aangezien sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en in beginsel recht op loondoorbetaling bestaat, moet beoordeeld worden of een van de uitzonderingsgronden van artikel 7:629 lid 3 BW van toepassing is. In deze zaak dient met name beoordeeld te worden of werkneemster zonder deugdelijke grond passende arbeid niet heeft verricht of heeft geweigerd mee te werken aan door de werkgever gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten (art. 7:629 lid 3 aanhef onder c en d). Werkneemster heeft evenmin recht op loondoorbetaling voor de tijd, gedurende welke door haar toedoen haar genezing werd belemmerd of vertraagd (art. 7:629 lid 3 aanhef en onderdeel b). Dat werkneemster in de relevante periode niet heeft meegewerkt aan een door Y gewenst gesprek waarin zij Y nader diende te informeren over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot een aantal dossiers kan, zeker in het licht van haar arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, niet beschouwd worden als een omstandigheid die rechtvaardigt dat zij geen recht meer had op loondoorbetaling na 23 november 2011. Ter comparitie in eerste aanleg heeft Y aangegeven dat het in zijn onderneming gebruikelijk is om 100% loon door te betalen bij ziekte. Aldus mag aangenomen worden dat sprake is van een overeengekomen arbeidsvoorwaarde. Het hof zal derhalve - net als de kantonrechter heeft gedaan voor de periode tot 23 november 2011 - de vordering tot loondoorbetaling op basis van 100% van het laatstgenoten salaris in elk geval toewijzen over de periode tot 2 maart 2011, onder aftrek van het reeds door Y betaalde loon.
Met betrekking tot het ontslag op staande voet oordeelt het hof aldus. Het enkele feit dat werkneemster haar werkgever niet eigener beweging heeft geïnformeerd over het feit dat zij aan een gesprek met de verzekeraar NH 1816 heeft deelgenomen inzake de vermeende misstanden bij werkgever, acht het hof al in strijd met haar verplichtingen als goed werknemer jegens Y. Y heeft - begrijpelijkerwijs - na ontvangst van de brief van NH 1816 bij brief van 23 februari 2012 in duidelijke bewoordingen aan werkneemster gevraagd om antwoord op zeer specifieke vragen met betrekking tot de handtekeningenkwestie. Het ontslag op staande voet is terecht gegeven.