Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 20 oktober 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:7942
Stichting X/werknemer
Werknemer (geboren 1943) is in 1997 bij D als algemeen directeur in dienst getreden. D is een stichting en heeft tot doel het verschaffen van speciaal onderwijs aan langdurig zieke kinderen en verbetering van hun welbevinden. Voor het realiseren van dit doel geeft D onderwijs aan licht verstandelijk gehandicapte kinderen en jongeren met gedrags- en/of psychiatrische problemen. In 2011 heeft het ministerie van OCW ruim € 262.588 aan middelen teruggevorderd van D. Aanleiding hiertoe zijn tal van onregelmatigheden die aan werknemer worden verweten, te weten (1) veel te hoog salaris, (2) een deeltijdfactor van 1,2 (120%), (3) aanstellen van zoon en schoondochter bij D en diversie fictieve dienstverbanden. Werknemer is strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van valsheid in geschrifte. De strafkamer rekende werknemer zwaar aan dat hij zich na het opstarten van het fraudeonderzoek samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van medewerkers van de school, door condoleancekaarten met daarop telkens de sterftedag van de onderscheiden medewerkers te vermelden. D vordert schadevergoeding van werknemer van € 685.675,47. De kantonrechter heeft de stichting niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de kantonrechter is D namelijk gefuseerd met O en zijn de vorderingen tussen D en werknemer niet overgenomen.
Het hof oordeelt als volgt. Anders dan de kantonrechter oordeelde, acht het hof geen sprake van een fusie en derhalve van behoud van het vorderingsrecht. Het hof is van oordeel dat het zogeheten verzilveren van fre’s bij het ministerie van OCW voor het verkrijgen van een vergoeding voor arbeidsovereenkomsten die in werkelijkheid niet door de stichting zijn aangegaan (zogeheten fictieve dienstverbanden), althans waarvoor niet althans niet in de omvang werkzaamheden zijn verricht als in de aanvrage is vermeld, in strijd is met de bepalingen uit de Wet op de expertisecentra en het daarop gegronde Rechtspositiebesluit WPO/WEC, zoals die tot de centralisatie van de arbeidsvoorwaarden per 1 augustus 2006 luidden. De minister van OCW heeft dit ook tot uitdrukking gebracht in het besluit van 7 oktober 2011. Dit betekent dat naar het oordeel van het hof de werknemer zich in beginsel niet als goed werknemer gedraagt indien hij zonder daartoe instructie te hebben ontvangen, althans zonder daarvan zijn werkgever in kennis te stellen, handelingen verricht in het kader van, althans leiding geeft aan, een dergelijke met de Wet op de expertisecentra en het daarop gegronde Rechtspositiebesluit WPO/WEC strijdige financiële constructie.
Het hof stelt evenwel vast dat de stichting niet heeft bestreden dat, toen onder de naam D, met werknemer een hogere beloning is overeengekomen dan het Rechtspositiebesluit WPO/WEC, zoals dat tot 1 augustus 2006 luidde, toestaat en dat de stichting in het kader van zijn afscheid de waarde van het cadeau heeft bepaald op € 15.000. Teneinde die hogere beloning en het bedrag voor het afscheidscadeau van de minister van OCW vergoed te krijgen, is het dienstverband van werknemer op 120% gesteld, is vanuit zijn adviesbureau maandelijks een vast bedrag aan de stichting gefactureerd en zijn in de periode vanaf januari 2005 t/m juli 2006 op papier dienstverbanden met zoon en schoondochter aangegaan, terwijl zoon en schoondochter geen werkzaamheden hebben verricht. Met deze constructie heeft de stichting onder meer voor het brutoloon van de fictieve dienstverbanden met zoon en schoondochter aan de minister van OCW vergoeding gevraagd, waarbij de zogeheten fre’s zijn verzilverd. De minister van OCW heeft aanvankelijk die vergoeding toegekend, maar nadien - toen bekend werd dat de stichting met werknemer een bovenmatig loon had afgesproken en het ministerie van OCW dat hogere loon via een door de stichting opgezette constructie, waarvan de minister van OCW aanvankelijk geen weet had, had vergoed - (deels) teruggevorderd. In deze situatie heeft D geen schade geleden, indien het OCW-bedrag wordt teruggevorderd, daar zij het hogere salaris toch verschuldigd was.
Ten aanzien van de overige verwijten, wordt de zaak aangehouden voor nadere bewijsvoering.