Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 9 oktober 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:12098

werknemer/werkgever

Misverstand over datum aanvang AOW-gerechtigde leeftijd ligt in risicosfeer werkgever. Toewijzing loonvordering vanaf datum waarop werknemer zich bereid heeft verklaard de bedongen arbeid te verrichten.

Werknemer is sinds 2009 voor onbepaalde tijd in dienst. Hij heeft per 1 april 2015 geen loon meer ontvangen en geen werkzaamheden meer verricht voor werkgever. Bij brief van 18 mei 2015 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) werknemer bericht dat hij vanaf oktober 2015 een AOW-pensioen krijgt. Werknemer vordert loondoorbetaling vanaf 1 april 2015. Werknemer legt aan zijn vordering het navolgende ten grondslag. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De SVB gaat uit van een geboortedatum van 1 juli 1950 en heeft beslist dat werknemer per oktober 2015 AOW-pensioen krijgt. Werknemer heeft aldus per 1 oktober 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Ten onrechte gaat werkgever ervan uit dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2015 is beëindigd.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de SVB de AOW-gerechtigde leeftijd van werknemer heeft vastgesteld op 1 oktober 2015. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst kan derhalve op geen andere wijze worden uitgelegd dan dat de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2015 is geëindigd, nu het - uitsluitend - de SVB is die beslist op welke datum voor een AOW-gerechtigde het AOW-pensioen aanvangt. In dat kader had het op de weg van werkgever gelegen om als werkgever na te gaan wanneer de AOW-gerechtigde leeftijd door een van zijn werknemers wordt bereikt. Dat daar in dit geval een misverstand over is ontstaan, ligt derhalve binnen de risicosfeer van werkgever. Hieruit volgt dat werkgever in beginsel gehouden is tot doorbetaling van het loon tot 1 oktober 2015. Hoewel werknemer sinds 1 april 2015 geen loon meer heeft ontvangen, heeft werknemer vanaf die datum ook geen werkzaamheden meer verricht. Dit heeft tot gevolg dat werknemer geen aanspraak heeft op loon over de periode tussen 1 april 2015 en 23 mei 2015, gelet op de hoofdregel van artikel 7:628 lid 1 BW, dat slechts loon verschuldigd is, indien de werknemer de bedongen arbeid heeft verricht. Omdat beide partijen, totdat de SVB anders besliste, van een einddatum van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2015 uitgingen, behoort de periode totdat werknemer aanspraak maakte op zijn loon niet voor rekening van werkgever te komen. Pas na ontvangst van de brief van de SVB heeft werknemer actie ondernomen richting werkgever en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon. In de brief van 21 mei 2015 geeft werknemer bij monde van zijn gemachtigde daarnaast aan dat hij bereid is de bedongen werkzaamheden te verrichten zodra werkgever hem hiertoe oproept. Werkgever heeft ter zitting betwist dat werknemer beschikbaar was voor werkzaamheden, maar nu hij dat pas in de laatste termijn heeft aangevoerd, is dat verweer tardief en wordt dat verweer verworpen. Aldus moet het ervoor gehouden worden dat werknemer nadat werkgever de brief van 21 mei 2015 heeft ontvangen het loon dient te betalen aan werknemer. De kantonrechter gaat er daarbij van uit dat de brief op 22 mei 2015 bij werkgever ter post is bezorgd zodat werkgever werknemer op zijn vroegst op 23 mei 2015 had kunnen oproepen, zodat werkgever zal worden veroordeeld tot doorbetaling van het loon vanaf 23 mei 2015 tot 30 september 2015, het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. De vakantietoeslag wordt toegewezen over de periode van juni 2014 tot 1 april 2015. Beide partijen zijn in eerste instantie uitgegaan van een pensioengerechtigde leeftijd per 1 april 2015. Derhalve is het niet redelijk om in dat geval de wettelijke verhoging toe te wijzen, zodat dit gedeelte van de vordering wordt afgewezen. De wettelijke rente wordt slechts toegewezen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.