Rechtspraak
Hoge Raad, 30 oktober 2015
ECLI:NL:HR:2015:3193
werknemer/Ridderikhoff Brandpreventie & Safety B.V., thans genaamd G4S Fire & Safety B.V.
Werknemer (geboren 1961) is op 15 februari 2006 bij G4S als werknemer in dienst getreden in de functie van brandwacht. Op 26 januari 2009 is werknemer tewerkgesteld bij BP. BP hanteert een protocol waarbij eenieder gekeurd moet worden op loodblootstelling (bij BP wordt namelijk gewerkt met loodhoudende benzine). Werknemer heeft op 28 januari 2009 geweigerd deze loodkeuring, bestaande uit een bloedtest, te ondergaan op ‘principiële gronden’ (lichamelijke integriteit). Nadat werknemer op 29 januari 2009 naar huis is gestuurd heeft G4S werknemer - nadat hij zich had ziek gemeld in plaats van in te gaan op de uitnodiging te komen spreken over het voorval - op 30 januari 2009 op staande voet ontslagen. Het hof oordeelde als volgt. Het belang van G4S bij het aan werknemer opleggen van een bloedtest in het kader van de loodkeuring is dat zij daarmee voldeed aan een door haar opdrachtgever BP bij de uitvoering van de bewakingswerkzaamheden gestelde eis, waarbij het achterliggende belang is dat een dergelijke bloedtest ertoe dient om bij het begin van de werkzaamheden op een plaats waarvan het bestaan van de gezondheidsrisico’s bekend is, vast te stellen wat de loodwaarde in het bloed is zodat later kan worden vastgesteld of daarin verandering is gekomen. Het bloedonderzoek is een maatregel waaraan de werknemer naar redelijkheid moet meewerken, omdat alle betrokkenen daarbij belang hebben, de werknemer zelf bepaald niet in de laatste plaats. Volgens het hof licht werknemer ook in appel niet toe wat de redenen zijn en waarom zijn beroep op lichamelijke integriteit gegrond moeten worden geacht. Tegenover het redelijke belang van G4S bij het werknemer verplichten tot het ondergaan van een bloedtest leggen de door hem niet nader toegelichte ‘moverende en persoonlijke redenen’ geen gewicht in de schaal. Werknemer heeft voorts iedere vorm van overleg gefrustreerd waardoor het voor G4S volstrekt oncontroleerbaar is of werknemer een steekhoudend bezwaar tegen de bloedtest heeft, hetgeen in beginsel een dringende reden oplevert. Centraal staat de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat het belang van de werkgever bij die test zwaarder weegt dan het belang van de werknemer, die zich erop heeft beroepen dat de opdracht om bloed af te staan strijdig is met het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam ingevolge artikel 11 Gw en artikel 8 EVRM.
De advocaat-generaal concludeert als volgt. De A-G verwijst naar het Hyatt-arrest (ECLI:NL:HR:2007:BA5802). Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de werknemer gerechtvaardigd is, dient te worden onderzocht of de inbreuk makende handeling een legitiem doel dient en of zij een geschikt middel is om dat doel te bereiken (het noodzakelijkheidscriterium); voorts moet worden onderzocht of de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de werknemer evenredig is in verhouding tot het belang van de werkgever bij het bereiken van het beoogde doel (het proportionaliteitscriterium), en of de werkgever dat doel redelijkerwijs op een minder ingrijpende wijze kon bereiken (het subsidiariteitscriterium). In de overwegingen van het bestreden arrest van het hof ligt in voldoende mate besloten dat het hof de in het arrest Hyatt geformuleerde criteria heeft getoetst, en op basis daarvan tot het oordeel is gekomen dat - gelet op de omstandigheden van het geval - van een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van werknemer geen sprake is, zodat niet kan worden gesproken van een steekhoudend bezwaar van werknemer tegen de door G4S gegeven opdracht om bloed af te staan. Het hof heeft daartoe kort samengevat geoordeeld dat de bloedafname een legitiem doel dient (het voldoen aan een door opdrachtgever BP gestelde eis, met als achterliggend belang het voorkomen van gezondheidsrisico’s voor werknemers) en ook een geschikt middel is om dat doel te bereiken, waarmee het hof het noodzakelijkheidscriterium heeft getoetst. Voorts heeft het hof in het kader van de afweging van het belang dat G4S had bij de bloedafname tegen de bezwaren van werknemer onderzocht of de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van werknemer evenredig is in verhouding tot het belang van G4S bij het bereiken van het beoogde doel, zodat het hof ook het proportionaliteitscriterium heeft getoetst. Het hof heeft bovendien geoordeeld dat dat doel niet op minder ingrijpende wijze kon worden bereikt (omdat een urinetest in het onderhavige geval niet volstond), waarmee het hof ten slotte ook oog heeft gehad voor het subsidiariteitscriterium. Dat het hof de in het arrest Hyatt geformuleerde criteria niet als zodanig heeft benoemd, doet er niet aan af dat het die criteria wel correct heeft getoetst.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.