Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 november 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:7932
werknemer/NS Groep N.V.
Werknemer is sinds 1 oktober 2010 in dienst van NS Groep, laatstelijk als directievoorzitter (CEO) van A BV, een 100% dochter van NS Groep. Onder A BV hangen diverse (buitenlandse) (dochter)vennootschappen, waaronder B. Vanaf eind 2013 was werknemer (op afstand) betrokken bij de voorbereiding van de bieding van B op de OV-concessie Limburg 2016-2031. B heeft in het najaar van 2014 een bieding gedaan op de OV-concessie Limburg. Bij de voorbereiding daarvan zijn onregelmatigheden begaan die erin bestonden dat een medewerker van de toenmalige concessiehouder is aangesteld waarbij zijn concurrentiebeding is omzeild en die medewerker (voor de bieding relevante) informatie heeft verstrekt. C heeft onderzoek gedaan naar de onregelmatigheden, hetgeen resulteerde in aan rapport van 28 april 2015 (hierna: Rapport I). Naar aanleiding van de in het rapport neergelegde onderzoeksbevindingen werden de directieleden van B geschorst. C heeft het onderzoek voortgezet, met name om verder te onderzoeken of (de top van) NS Groep op de hoogte was van en/of betrokken was bij de onregelmatigheden. Een en ander resulteerde in een conceptrapport van 3 juni 2015. Het onderzoek is nog niet afgerond; Rapport II is nog niet gereed. Werknemer heeft op 22 juni 2015 een concept van het finale rapport mogen inzien en heeft dat concept uitgebreid becommentarieerd. Op 5 juni 2015 is werknemer op non-actief gesteld. Werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:685 (oud) BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. Tussen partijen is echter in geschil per welke datum de ontbinding plaats moet vinden en of NS Groep in dit verband een vergoeding aan werknemer dient te betalen en zo ja, hoe hoog die vergoeding dient te zijn. De kantonrechter stelt voorop dat juist de ontwikkelingen van na het uitkomen van Rapport I, verklaringen die nadien zijn afgelegd en stukken die nadien naar boven zijn gekomen, aanleiding hebben gegeven voor de schorsing van werknemer en de publiciteit daaromtrent. De kantonrechter beschikt niet over een afschrift van de na Rapport I afgelegde verklaringen en/of het concept van het eindrapport. Om de verklaringen en de nu overgelegde stukken in deze zaak te kunnen wegen en op basis daarvan een beslissing te nemen over de aan werknemer toe te kennen vergoeding is de kantonrechter van oordeel dat niet kan worden volstaan met de summiere beschrijving die partijen daarvan tijdens de mondelinge behandeling hebben gegeven. Voor zover NS Groep (mede) heeft willen betogen dat de precieze inhoud en geloofwaardigheid van de nadere verklaringen en/of meer in het algemeen de bevindingen van na Rapport I in het midden of buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij de beoordeling van deze zaak volgt de kantonrechter haar daarin dus niet. Voor zover werknemer heeft willen betogen dat gelet op het tijdsverloop eventuele onduidelijkheid over de feiten en omstandigheden voor rekening van NS Groep moet komen en zonder meer van zijn lezing van een en ander moet worden uitgegaan volgt de kantonrechter hem daarin evenmin en overweegt daartoe dat niet kan worden gezegd dat de vertraging in de afronding van het onderzoek - en daarmee de onduidelijkheid over de feiten en omstandigheden - NS Groep in deze zaak kan worden tegengeworpen. De kantonrechter zal de behandeling van deze zaak aanhouden voor een periode van zes weken opdat het definitieve rapport van C wordt overgelegd, vooralsnog ervan uitgaande dat het definitieve rapport dan gereed zal zijn.