Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting R.K. Centraal Schoolbestuur (RKCS)
Hoge Raad, 20 november 2015
ECLI:NL:HR:2015:3333
Met annotatie door A.R. Houweling

werknemer/Stichting R.K. Centraal Schoolbestuur (RKCS)

Niet docerende rector van bijzondere onderwijsinstelling valt niet onder artikel 2 Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten (art. 2 BBA). Opzegging moet gelezen worden in ‘bedankbrief’.

Werknemer is van 11 augustus 1979 tot 16 april 1999 werkzaam geweest als docent aan het onder gezag van RKCS staande Radulphus College. Op 27 augustus 2009 is hij voor drie jaar in dienst getreden van RKCS en te werk gesteld als rector van voormeld college. Op 11 november 2011 is hem eervol ontslag verleend wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, maar de arbeidsrelatie liep desondanks gewoon door. De benoeming van werknemer als rector is telkens voor een jaar verlengd per 1 augustus 2012 en per 1 augustus 2013. Op 21 februari 2014 heeft RKCS werknemer bedankt voor de bewezen diensten in het jaar 2013-2014. Op 19 mei 2014 heeft RKCS onder andere aan werknemer bericht dat voor het volgend schooljaar een nieuwe rector zou worden benoemd. Op 4 juli 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer, die was vergezeld door zijn advocaat, en de financieel directeur van RKCS over de afwikkeling van de arbeidsverhouding. Op 8 juli 2014 heeft werknemer om doorbetaling van loon verzocht op de grond dat zijn arbeidsovereenkomst is omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. RKCS heeft op 9 juli 2014 de arbeidsovereenkomst (opnieuw) opgezegd. Volgens werknemer is - voor zover al is opgezegd - in strijd met artikel 2 Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten (LBA) de arbeidsovereenkomst opgezegd.

De advocaat-generaal concludeert als volgt. Gezien de context van de zaak mocht werknemer uit de hierna te citeren bepaling uit de brief afleiden dat sprake was van een opzegging: ‘U hebt in het afgelopen schooljaar 2013-2014, als gepensioneerde uw diensten en medewerking aan het voortgezet onderwijs verleend. (…) Al naar gelang de behoefte in het onderwijs kan het mogelijk zijn dat wij u vragen ons wederom bij te staan. Wij hopen dat indien wij u benaderen u zich beschikbaar stelt.’ Artikel 2 aanhef en onderdeel b LBA luidt: ‘Deze landsverordening is niet van toepassing op de arbeidsovereenkomst van (...) b. onderwijzend en docerend personeel, werkzaam bij onderwijsinrichtingen, staande onder beheer van een rechtspersoon.’ Deze bepaling is letterlijk gelijk aan artikel 2 lid 1 aanhef en onderdeel b van het Nederlandse BBA 1945. Artikel 34 lid 2, tweede en derde volzin, van de Landsverordening voortgezet onderwijs luidt: ‘Tot rector of directeur is slechts benoembaar hij die met inachtneming van artikel 35, eerste lid, kan worden benoemd tot leraar in een van de vakken die aan de school worden onderwezen. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag met goedkeuring van de minister afwijken van het bepaalde in de vorige volzin.’ De wet eist derhalve dat de rector in beginsel de bevoegdheid tot doceren heeft. Hieruit valt af te leiden dat de wetgever de rector ziet als deel uitmakend van het docentencorps en als een leidinggevende die direct betrokken is bij het onderwijs. De rector van het onderhavige college verricht anders dan in het verleden het geval was geen docerende taken, ook niet als invaller, maar dat kan wel. Voorts moet worden aangenomen dat bij artikel 2 aanhef en onderdeel b LBA de wens heeft voorgezeten het onderwijs, in ruime zin, te ontzien in dier voege dat de wetgever met de in het BBA 1945 vervatte sociaal-economische maatregelen niet heeft willen raken aan de sfeer van het onderwijs. Dit geldt vooral voor het bijzonder onderwijs. Voor bijzondere scholen, zoals het Radulphus College, is mede betrokken de godsdienstvrijheid. Met een en ander zou niet stroken de rector, die als leidinggevende direct betrokken is bij het onderwijs, van de reikwijdte van de bepaling uit te sluiten. Het onderdeel poneert de stelling dat voor de toepassing van artikel 2 aanhef en onderdeel b LBA moet worden onderzocht of werknemer ingevolge zijn aanstelling en de hem opgedragen werkzaamheden, onderwijzende en docerende taken verrichtte. Daarmee dringt het aan op een letterlijke en zeer beperkte uitleg van deze bepaling zonder acht te slaan op wat de daarachter liggende bedoeling ervan is. Reeds om deze reden vindt de A-G de klacht niet kansrijk. Het ligt ook niet voor de hand het vereiste van toestemming te laten afhangen van het feitelijk geven van onderwijs. De taak van de rector is vanzelfsprekend in de eerste plaats nauw verbonden met het onderwijs dat in de onderwijsinstelling wordt gegeven, en de rector is uit hoofde van zijn functie de leidinggevende van de docenten van zijn school. Om die reden lijkt het de A-G moeilijk hem niet te rangschikken onder het onderwijzend personeel, ook als hij geen onderwijs geeft. Voor die opvatting vindt de A-G steun in twee arresten van de Hoge Raad (HR 19 oktober 1979, NJ 1980/57, ECLI:NL:HR:1979:AC6687 (Beijer/Smit) en HR 20 maart 1992, NJ 1992/725, ECLI:NL:HR:1992:ZC0548 (Driessen/Katholieke Universiteit). In beide zaken geeft de Hoge Raad een ruime uitleg aan het BBA 1945. In beide gevallen wordt gewezen op de wens van de besluitgever met de in het BBA 1945 vervatte sociaal-economische maatregelen niet te raken aan de sfeer van het onderwijs. De Hoge Raad wil niet weten van een beperkte uitleg en kiest eerder voor een tamelijk ruime uitleg waarbij een lerares aan een taleninstituut en een wetenschappelijk medewerker met een beperkte onderwijstaak onder de werking ervan worden gebracht. De bewoordingen van de bepaling nopen er niet toe slechts degenen onder haar werking te begrijpen die ‘uitsluitend of hoofdzakelijk’ met onderwijs zijn belast, aldus de Hoge Raad in 1992. Beide partijen beroepen zich op deze twee uitspraken, maar werknemer bedient zich daarbij vooral van een a-contrario-redenering die meestal niet duidt op een sterk argument. RKCS wijst vooral op de vrijheid van onderwijs en de ruime toepassing die in Nederland aan het BBA 1945 wordt gegeven, ook in recente besluiten, zoals de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 maart 2008 (Stcrt. 2008/53).

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.