Rechtspraak
werknemer/werkgever
Werknemer (geboren 1964) is sinds 1992 in dienst van werkgever. Op 6 december 1995 is werknemer een arbeidsongeval overkomen. Vanuit een stelling is vanaf circa 4 meter hoogte een jerrycan met inhoud, met een gewicht van circa 5 kilogram, op zijn hoofd en/of schouders gevallen. Op 21 augustus 1996 is werknemer opnieuw slachtoffer geworden van eenzelfde ongeval. Een gewicht van circa 7,5 kilogram is vanuit een hoogte van circa 6 meter op zijn hoofd en/of bovenlichaam terechtgekomen. Werknemer heeft na het tweede ongeval geen loonvormende arbeid meer verricht, noch bij werkgever, noch elders. Werkgever heeft de aansprakelijkheid voor de (gevolgen van) beide arbeidsongevallen erkend. Het hof zag evenwel in de predispositie van werknemer aanleiding de blijvende schade te beperken tot 2019, het jaartal waarin de werknemer 55 jaar hoopt te worden, omdat in ieder geval uiterlijk dan een ander voorval zich zou hebben voorgedaan waardoor werknemer blijvend arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie. Hij klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat hij, in de situatie waarin de beide ongevallen worden weggedacht, door een ‘al dan niet ernstig life-event’ vanaf 55-jarige leeftijd niet meer in staat zou zijn geweest loonvormende arbeid te verrichten, ontoereikend is gemotiveerd.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk op grond waarvan het hof van oordeel is dat de enkele omstandigheid dat werknemer in het onderhavige geval op relatief gering letsel heeft gereageerd met een ernstige psychische reactie, aannemelijk maakt dat werknemer op enig ander moment in zijn leven - en in ieder geval uiterlijk op omstreeks 55-jarige leeftijd - op eenzelfde wijze zou hebben gereageerd op een al dan niet ernstig life-event. Het hof heeft in het bijzonder niets vastgesteld omtrent reeds voorgevallen andere gebeurtenissen in het leven van werknemer die als een dergelijk ‘al dan niet ernstig life-event’ kunnen worden aangemerkt en aldus evenmin beoordeeld in hoeverre de reactie van werknemer op een dergelijke gebeurtenis dit aannemelijk maakt. Het hof heeft voorts niet toereikend gemotiveerd waarom een psychische reactie zoals die van werknemer in het onderhavige geval, in zijn algemeenheid aannemelijk maakt dat de betrokkene ook als gevolg van andere gebeurtenissen dan een dergelijk arbeidsongeval, niet meer in staat zal zijn loonvormende arbeid te verrichten. De omstandigheid dat volgens de door het hof geraadpleegde deskundigen ook bij andersoortig letsel of andere stressvolle omstandigheden een dergelijke reactie ‘niet is uit te sluiten’ volstaat - zoals het hof ook heeft onderkend - daartoe niet.