Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Abbott Healthcare Products B.V., h.o.d.n. Solvay Duphar
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 12 augustus 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:8684

werknemer/Abbott Healthcare Products B.V., h.o.d.n. Solvay Duphar

Vordering ex artikel 7:658 BW is verjaard. Wetenschap gemachtigde werknemer omtrent oorzaak gezondheidsklachten werknemer, wordt aan werknemer toegerekend.

Werknemer is op 23 september 1974 in dienst getreden van (een rechtsvoorgangster van) Solvay Duphar, aanvankelijk als bedieningsvakman chemische productie/1e (proces)operator en vanaf 1982 als chef productie. Werknemer is sedert 15 mei 1987 volledig arbeidsongeschikt. Het dienstverband is geëindigd per 1 november 1990. Bij brief van 16 juni 2005 van de Stichting Bureau Beroepsziekten FNV is Solvay Duphar aansprakelijk gesteld voor de schade geleden door werknemer op grond van artikel 7:658 BW. Werknemer vordert voor recht te verklaren dat Solvay Duphar aansprakelijk is voor zijn schade. Ter onderbouwing van die vordering stelt werknemer dat hij tijdens het dienstverband met Solvay Duphar in de uitvoering van zijn werkzaamheden, zonder adequate bescherming, is blootgesteld aan een veelvoud van voor de gezondheid schadelijke (chemische) stoffen en oplosmiddelen ten gevolge waarvan hij materiële en immateriële schade lijdt. Werknemer stelt voorts dat Solvay Duphar is tekortgeschoten in het nemen van maatregelen ter voorkoming van die blootstelling.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In het midden wordt gelaten of Van Loenen destijds (in 1997) als een ter zake deskundige kan worden aangemerkt nu op grond van de onweersproken stelling van werknemer zelf de verzekeringsgeneeskundige als ter zake deskundige arts moet worden aangemerkt en werknemer niet heeft weersproken dat zijn gemachtigde in ieder geval wel op de hoogte was van diens diagnose. Dit betekent dat in ieder geval voor de gemachtigde van werknemer in of omstreeks juni 1997 voldoende zekerheid bestond omtrent de oorzaak van de klachten van werknemer om Solvay Duphar ter zake aansprakelijk te stellen. Deze wetenschap bij de gemachtigde moet aan werknemer worden toegerekend nu geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan die wetenschap niet aan werknemer zou moeten worden toegerekend, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat werknemer op dat moment niet in staat was om een vordering tegen Solvay Duphar in te stellen. Solvay Duphar heeft dan ook terecht betoogd dat de verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 3:310 BW op of omstreeks 10 juni 1997 is aangevangen en dat de vordering van werknemer is verjaard, nu Solvay Duphar eerst bij brief van 16 juni 2005 door werknemer aansprakelijk is gesteld voor zijn schade.