Naar boven ↑

Rechtspraak

X Accountants en Adviesgroep B.V./Belastingadvies- en Accountancykantoor
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 1 december 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:4969

X Accountants en Adviesgroep B.V./Belastingadvies- en Accountancykantoor

Geen overtreding van de verplichting ‘zich positief op te stellen naar de werkgever’.

Tussen maatschapsleden is een concurrentiebeding opgenomen, waarin onder meer is bepaald dat zij zich zullen onthouden klanten van de maatschap naar derden over te (laten) brengen. Vanaf 1 januari 2007 is zus van directeur geïntimeerde begonnen met een eigen administratiekantoor. Zij hield kantoor in een aan of bij het woonhuis van directeur geïntimeerde gelegen kantoorruimte. Appellanten vorderen betaling van de concurrentiebedingboete. Zij hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat geïntimeerde in elk geval heeft overtreden het tussen partijen gesloten relatie- en concurrentiebeding door samen met zus van directeur geïntimeerde een plan uit te werken en uit te voeren om klanten van appellanten af te nemen en onder te brengen in het administratiekantoor van zus van directeur geïntimeerde. De rechtbank oordeelde dat appellanten niet zijn geslaagd in het bewijs van deze stellingen.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt bij de beoordeling van deze en de volgende grieven voorop dat partijen zijn overeengekomen, naast het bepaalde in artikel 27 lid 3 van de maatschapsovereenkomst van 30 augustus 1997 en artikel 14 van de intentieverklaring dat geïntimeerde zich vanaf 1 januari 2006 positief zal opstellen in de richting van de nieuw te vormen maatschap, zulks in de meest ruime zin van het woord. Geen der partijen heeft wat deze vage norm betreft duidelijk omschreven aangevoerd wat zij hiermee hebben bedoeld of dat op concretere wijze is afgesproken op welke wijze geïntimeerde deze norm dient in te vullen. Het is in elk geval aan appellanten om voldoende concrete feiten aan te voeren waaruit kan worden geconcludeerd dat deze norm door directeur geïntimeerde c.s. is overtreden. Bij betwisting van die feiten dienen appellanten deze feiten te bewijzen op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. Uit het feit dat een getuige niet heeft verklaard dat geïntimeerde pogingen heeft ondernomen om hem of haar over te halen bij appellanten te blijven, kan niet zonder meer worden afgeleid dat geïntimeerde de verplichting heeft overtreden om zich positief op te stellen in de meest ruime zin van het woord. Uit de verschillende getuigenverklaringen leidt het hof af dat geen overtreding van het beding heeft plaatsgevonden. Het hof is het verder met de rechtbank en geïntimeerde eens dat de verhuur van kantoorruimte aan zus van directeur geïntimeerde niet kan worden gekwalificeerd als schending van de verplichting om zich positief op te stellen jegens appellanten. Een dergelijke verplichting dient eerder te worden uitgelegd in die zin dat geïntimeerde, indien mogelijk, reclame voor appellanten moest maken. Dat ook zou zijn bedoeld dat geïntimeerde geen kantoorruimte aan een (ander) administratiekantoor zou mogen verhuren, is onvoldoende onderbouwd gesteld of gebleken. Dat geïntimeerde enige handeling heeft verricht betrekking hebbende op de opzeggingsbrieven is niet komen vast te staan.

Wel heeft geïntimeerde het concurrentiebeding overtreden door voor getuige 9 werkzaamheden te verrichten. Dit leidt tot verbeurdverklaring van de boete (€ 45.378,02).