Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 24 november 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:3340
Euroleder B.V./werknemer
Werknemer is sinds 1999 in dienst van Euroleder. Bij brief van 30 mei 2012 heeft Euroleder - vanwege bedrijfseconomische redenen - werknemer een concept-vaststellingsovereenkomst aangeboden, inhoudende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met betaling aan werknemer van een bedrag van € 30.000 bruto, zijnde de aanvulling op de WW-uitkering tot 100% voor de periode van drie jaar. Aan werknemer is daarbij gelegenheid gegeven om op uiterlijk 20 juni 2012 te reageren. Werknemer heeft met de concept-vaststellingsovereenkomst niet ingestemd. In juni heeft - na bemiddelling - Hästens werknemer een baan aangeboden. Dit aanbod heeft werknemer geweigerd. Daarna is met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 december 2012. Na aanbod daartoe van Euroleder bij brief van 20 april 2013 is werknemer per 1 mei 2013 opnieuw bij Euroleder in dienst getreden, op basis van een arbeidsovereenkomst voor de periode van één jaar en voor 21 uur per week tegen een salaris van € 1.125 bruto per maand, daarnaast ontvangt werknemer een aanvullende uitkering van het UWV. De kantonrechter oordeelde de opzegging kennelijk onredelijk onder toekenning van een vergoeding van € 30.000.
Het hof oordeelt als volgt. In aanmerking genomen de leeftijd van werknemer (destijds 57 jaar), de duur van het dienstverband (bijna 14 jaar), de ongunstige economische omstandigheden waaronder de detailhandel ten tijde van het ontslag ook gebukt ging en de mede als gevolg daarvan verminderde kansen op de arbeidsmarkt voor werknemer, mede gelet op de eenzijdige werkervaring en gezien de financiële gevolgen voor werknemer als gevolg van het einde van het dienstverband met Euroleder, is het hof van oordeel dat werknemer bij gelegenheid van het einde van dat dienstverband op grond van het ‘gevolgencriterium’, enigermate financieel gecompenseerd dient te worden. Het achterwege blijven van een (toereikende) financiële genoegdoening maakt in dit geval dat de opzegging kennelijk onredelijk is, mede gelet ook op het feit dat ook Euroleder werknemer aanvankelijk een financiële compensatie van € 30.000 heeft aangeboden (welk aanbod Euroleder later, toen werknemer het aanbod binnen de daarvoor door Euroleder gestelde termijn niet had aanvaard weer heeft ingetrokken). Dat werknemer om hem moverende redenen ervoor gekozen heeft de (aanvankelijk) aangeboden vergoeding niet te aanvaarden, maakt vorenstaande niet anders. Werknemer is niet gehouden een aanbod als door Euroleder gedaan, te aanvaarden op straffe van verval van welke compensatie dan ook. Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat gelet op de leeftijd van werknemer, zijn opleiding, werkervaring en de economische situatie, niet te verwachten was dat werknemer binnen een termijn van 24 maanden weer werk op een vergelijkbaar niveau zou vinden. Dit leidt tot de conclusie dat een bedrag groot (afgerond) € 20.000 een gepaste schadevergoeding is. Dit bedrag heeft het hof becijferd aan de hand van een suppletie van 30% op de WW-uitkering, gerelateerd aan de hoogte van het laatstverdiende loon voor de duur van de (door het hof op 24 maanden geschatte) periode van werkloosheid.