Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 17 december 2015
ECLI:EU:C:2015:831
María Auxiliadora Arjona Camacho/Securitas Seguridad España
Op 1 juli 2012 trad Arjona Camacho in dienst bij Securitas Seguridad España om voltijds als bewaakster te werken in een jeugdgevangenis te Cordoba (Spanje). Zij werd op 24 april 2014 ontslagen. Het ontslag is door de Spaanse rechter als discriminatoir geoordeeld. De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of hij overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2006/54, dat bepaalt dat er moet worden gezorgd voor afschrikkende reparatie of compensatie, Arjona Camacho een schadevergoeding moet toekennen die verder gaat dan de volledige vergoeding van de door haar geleden schade en de vorm aanneemt van een punitieve schadevergoeding, om een voorbeeld te stellen voor haar voormalige werkgever en ook voor anderen. De rechter stelt daarom de volgende vraag aan het Hof van Justitie EU: ‘Kan artikel 18 van richtlijn [2006/54], dat bepaalt dat de compensatie voor het slachtoffer van discriminatie op grond van geslacht afschrikkend moet zijn (naast reëel, effectief en evenredig aan de geleden schade), aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter op grond daarvan werkelijk aanvullend een punitieve schadevergoeding kan opleggen waarvan de hoogte redelijk is, dat wil zeggen een aanvullend bedrag dat weliswaar verder gaat dan de volledige reparatie van de door het slachtoffer werkelijk geleden schade, maar dat (behalve voor de schadeveroorzaker) ook als voorbeeld dient voor anderen, mits dat bedrag niet onevenredig hoog is, ook al kent de rechtstraditie van die nationale rechter geen punitieve schadevergoeding?’
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Volgens de rechtspraak van het Hof schrijft artikel 6 de lidstaten voor het geval van schending van het discriminatieverbod niet een bepaalde maatregel voor, maar laat het hun de vrije keuze tussen de verschillende oplossingen die geschikt zijn om de doelstelling van Richtlijn 76/207 te bereiken, afhankelijk van de verschillende situaties die zich kunnen voordoen (zie arresten von Colson en Kamann, C-14/83, ECLI:EU:C:1984:153, punt 18; Marshall, C-271/91, ECLI:EU:C:1993:335, punt 23; en Paquay, C-460/06, ECLI:EU:C:2007:601, punt 44). De passende maatregelen tot herstel van de daadwerkelijke gelijkheid van kansen moeten echter een daadwerkelijke en doeltreffende rechterlijke bescherming waarborgen en tegenover de werkgever een reële afschrikkende werking hebben (zie arresten von Colson en Kamann, C-14/83, ECLI:EU:C:1984:153, punten 23 en 24; Draehmpaehl, C-180/95, ECLI:EU:C:1997:208, punt 25; en Paquay, C-460/06, ECLI:EU:C:2007:601, punt 45). Dergelijke vereisten houden noodzakelijkerwijs in dat rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van elke schending van het beginsel van gelijke behandeling. In geval van discriminerend ontslag zou de gelijkheid niet kunnen worden hersteld zonder de gediscrimineerde weer in dienst te nemen dan wel hem een financiële vergoeding toe te kennen voor de geleden schade (arrest Marshall, C-271/91, ECLI:EU:C:1993:335, punt 25). Ten slotte is het volgens de rechtspraak van het Hof zo dat indien er voor een financiële vergoeding wordt gekozen als maatregel om het beoogde herstel van de daadwerkelijke gelijkheid van kansen te bereiken, die vergoeding adequaat moet zijn in die zin dat de als gevolg van het discriminerende ontslag daadwerkelijk geleden schade volledig kan worden vergoed in overeenstemming met de toepasselijke nationale regels (zie arresten Marshall, C-271/91, ECLI:EU:C:1993:335, punt 26; en Paquay, C-460/06, ECLI:EU:C:2007:601, punt 46). Uit zowel de oorspronkelijke als de gewijzigde versie van artikel 6 van Richtlijn 76/207 en de in de punten 29 tot en met 33 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt dus dat de door artikel 6 beoogde reële afschrikkende werking niet impliceerde dat aan een persoon die schade leed als gevolg van discriminatie op grond van geslacht, een punitieve schadevergoeding werd toegekend die verder ging dan de volledige vergoeding van de daadwerkelijk geleden schade en neerkwam op een sanctie. Zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is er geen wezenlijke verandering in het Unierecht te signaleren op basis waarvan artikel 18 van Richtlijn 2006/54 anders zou moeten worden uitgelegd dan artikel 6 van Richtlijn 76/207. Vastgesteld moet dan ook worden dat artikel 18 van Richtlijn 2006/54, net als artikel 6 van Richtlijn 76/207 en ter borging van reële en effectieve compensatie of reparatie van de schade als gevolg van discriminatie op grond van geslacht, op een wijze die afschrikkend en evenredig is, verlangt van de lidstaten die kiezen voor reparatie in financiële vorm, dat zij in hun interne rechtsorde op de door hen vastgelegde wijze maatregelen opnemen die erin voorzien dat de schadelijdende persoon een schadevergoeding ontvangt waarmee de geleden schade volledig wordt gecompenseerd, maar niet voorziet in betaling van een punitieve schadevergoeding. Bij gebreke van een bepaling van nationaal recht die voorziet in betaling van een punitieve schadevergoeding aan een persoon die schade lijdt als gevolg van discriminatie op grond van geslacht, kan de nationale rechter dus niet uit eigen beweging op grond van artikel 25 van Richtlijn 2006/54 de discriminerende partij veroordelen tot een dergelijke schadevergoeding.