Naar boven ↑

Rechtspraak

TomTom International B.V./CFO van TomTom
Hoge Raad, 18 december 2015
ECLI:NL:HR:2015:3617

TomTom International B.V./CFO van TomTom

Hoogte bonus 2% pro rata voor vertrekkende bestuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Gezag van gewijsde oordeel over beperkende werking redelijkheid en billijkheid.

(Vervolg op AR 2011-1007 en cassatieberoep van AR 2015-0257.) Deze zaak, die nu voor de tweede keer bij de Hoge Raad aan de orde is, betreft de nasleep van het kortdurende dienstverband van werknemer, als CFO, bij TomTom c.s. In de eerste bodemprocedure heeft het hof onder meer voor recht verklaard dat werknemer recht heeft op toekenning van 6000 optierechten op aandelen. Het verweer van TomTom c.s. dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft het hof gepasseerd. Het tegen dit hofarrest gerichte cassatieberoep is verworpen. In de onderhavige procedure heeft werknemer onder meer betaling van het met de opties gemoeide geldbedrag gevorderd. In eerste aanleg en in hoger beroep is deze vordering toegewezen. In cassatie gaat het thans in essentie om de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat het beroep van TomTom c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid afstuit op het gezag van gewijsde. TomTom klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat het heeft miskend dat in de eerste bodemprocedure, waarin het hof heeft geoordeeld dat werknemer recht heeft op 6000 optierechten, nog geen bindende beslissing was genomen over (1) de waarde van die opties op de uitoefendatum en (2) de vraag of integrale toewijzing van een met die waarde corresponderend bedrag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens het onderdeel komt aan het arrest in de eerste bodemprocedure ten aanzien van die beslissingen daarom geen gezag van gewijsde toe.

De advocaat-generaal (Timmerman) concludeert als volgt. Het hof heeft in het bestreden arrest geoordeeld ‘dat in beide procedures dezelfde rechtsbetrekking aan de orde is, te weten of werknemer jegens TomTom c.s. aanspraak kan maken op de opties en het daarmee gemoeide bedrag’. Met andere woorden: in het bestreden arrest is het eerdere arrest van 16 maart 2010 aldus uitgelegd dat hierin wel degelijk ook de hoogte van het met de opties gemoeide bedrag is betrokken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan - nu het een feitelijk oordeel betreft - in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. Reeds hierom faalt deze rechtsklacht.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.