Naar boven ↑

Rechtspraak

TomTom/werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 1 juli 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:2715

TomTom/werknemer

Vervolg Hoge Raad TomTom-zaak. Hoogte bonus 2% pro rata voor vertrekkende bestuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Uitoefening optierechten. Eenzijdige wijziging.

(Vervolg op AR 2011-1007.) Na verwijzing van de Hoge Raad staan tussen TomTom en de CFO nog twee vragen centraal: de hoogte van de bonus en de waarde van de optierechten. Het hof oordeelt dat de waarde van de opties € 4.689.150,80 bedraagt. Voorts oordeelt het hof dat vaststaat dat werknemer aanspraak had op deze opties en deze destijds ook heeft uitgeoefend. De enige vraag die thans nog resteert is of TomTom in deze fase (nog/opnieuw) een beroep op artikel 6:248 BW toekomt. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. In het eerdere arrest is een dergelijk beroep afgewezen. Ook de Hoge Raad oordeelde in gelijke zin. Het komt dan niet juist voor thans nogmaals een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW toe te passen.

Met betrekking tot de bonus, oordeelt het hof aldus. De zinsnede in de bonusafspraak ‘The Profit Share Scheme may be subject to change in the future’ wijst erop dat het PSS een wijzigingsbeding bevatte. Daarop is artikel 7:613 BW van toepassing. TomTom c.s. hebben als zwaarwegend belang voor de wijziging van het percentage (van 2 naar 1) aangevoerd dat de inmiddels ingestelde raad van commissarissen dat percentage heeft goedgekeurd. Daargelaten dat onduidelijk is gebleven of enkel het nieuwe percentage ter goedkeuring is voorgelegd (door de raad van bestuur of de voorzitter van de raad van bestuur?) of dat het oude percentage van 2% ook is voorgelegd (maar is afgekeurd), kan dit niet als een zwaarwegend belang worden gezien. Hetzelfde geldt voor het feit dat de andere bestuurders, die in 2005 onder het PSS vielen, de wijziging kennelijk hebben geaccepteerd. Als inmiddels vertrokken bestuurslid verkeerde werknemer nu eenmaal in een andere positie dan zij. TomTom c.s. hebben ook op dit punt een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Zij hebben in dit verband aangevoerd dat het onaanvaardbaar is dat werknemer een hogere winstuitkering zou krijgen dan de overige bestuurders van TomTom c.s., terwijl die bestuurders een beduidend belangrijker bijdrage hebben geleverd aan de uit te keren winst dan werknemer. Wat dit laatste betreft: de winstuitkering houdt rekening met de periode dat men bij TomTom c.s. in dienst was. Dat werknemer niet gedurende de gehele periode dat hij bij TomTom c.s. in dienst is geweest ook daadwerkelijk werkzaamheden heeft kunnen verrichten valt hem in verhouding tot TomTom c.s. – zie het hofarrest – niet in overwegende mate te verwijten.