Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Achmea Schadeverzekering
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 oktober 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:8066

werknemer/Achmea Schadeverzekering

Reikwijdte artikel 7:658 lid 4 BW bij onderaanneming van werk: uitleg Davelaar/Allspan.

Werknemer is in dienst van A Asbestsanering. Op 20 juli 2009 is hem op de bouwplaats ‘Betafence’ in Zwevegem (België) een arbeidsongeval overkomen. Hij liep over een dakplaat die onder hem is afgebroken waardoor hij negen à tien meter naar beneden is gevallen op een betonnen vloer. Hij is ernstig gewond geraakt en naar een ziekenhuis vervoerd, waar hij een aantal operaties heeft ondergaan en tot september 2009 heeft verbleven. Na revalidatie in Nederland is hij naar Polen vertrokken. De Belgische arbeidsinspectie heeft vastgesteld dat sprake is van nalatigheid aan de zijde van de werkgever. A, D, geïntimeerde sub 2 en C zijn als formele dan wel materiële werkgever aansprakelijk. B is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn taak als bestuurder van A omdat er geen aansprakelijkheidsverzekering was afgesloten, hetgeen als wanbeleid kan worden gekwalificeerd. Aan de orde is de vraag of een hoofdaannemer jegens een medewerker van een onderaannemer op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk kan zijn. Dat is mogelijk indien is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW, te weten dat de medewerker voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk is van de hoofdaannemer en dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de uitoefening van het bedrijf van de hoofdaannemer.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat C het verwijderen van de bestaande dakbedekking in het onderhavige geval heeft uitbesteed aan een onderaannemer, niet maakt dat deze werkzaamheden geen deel zouden kunnen uitmaken van de bedrijfsuitoefening van C. Het verwijderen van de dakplaten ten behoeve van het kunnen monteren van nieuwe dakplaten betreft daarmee werkzaamheden die C als bouwbedrijf in het kader van het renoveren van de daken, ook zelf zou hebben kunnen verrichten. Als vaststaand kan worden aangenomen dat er op het moment dat werknemer zijn werkzaamheden verrichtte, weliswaar overal in de fabriekshal een metalen netwerk onder het dak was bevestigd maar juist niet ter plaatse van zijn ongeval. Er was op de plek waar hij door het dak zakte geen (collectieve) doorvalbeveiliging (net) aangebracht en evenmin was sprake was van een individuele valbeveiliging. Een dergelijke situatie, waarin op het dak, op een hoogte van ruim negen meter boven een betonnen vloer met daarop geplaatste objecten, de platen moeten worden verwijderd, maar zonder adequate doorvalbeveiliging, is gevaarlijk. Het was dan ook C die jegens degenen die het dak zouden betreden, onder wie haar eigen werknemers, werknemers van onderaannemers en derden, ervoor had te zorgen dat sprake was van een adequate doorvalbeveiliging. De ‘uitgangssituatie’ mag niet gevaarlijk zijn, hetgeen wel het geval was. In zoverre was werknemer voor zijn veiligheid mede afhankelijk van C. Over die ‘uitgangssituatie’ had C ook zeggenschap. Daarmee is dus tevens in zoverre voldaan aan het tweede criterium voor toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW. Bij de beoordeling van die vraag is immers van belang wat (naast en eventueel los van de contractuele verhoudingen) de feitelijke verhoudingen tussen de betrokkenen waren en welke invloed C daarbij had op de werkomstandigheden en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.