Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 22 december 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:5339
werknemer/werkgever
Werknemer (geboren 1961) is op 1 april 2004 in dienst getreden van werkgever, een internationale groothandel in personenautobanden. Hij was laatstelijk werkzaam als controller tegen een brutosalaris (exclusief vakantiegeld en overige emolumenten) van € 6.661 per maand. Op 19 december 2014 schrijft werkgever dat hij het ontoelaatbaar vindt dat werknemer twee facturen voor tijdschriften van de oud-eigenaar ten laste van werkgever laat komen. Op 5 februari 2015 vindt een gesprek tussen partijen plaats waarbij werkgever aangeeft geen vertrouwen meer in werknemer te hebben. Hij biedt werknemer een transitievergoeding aan. Op 13 februari 2015 accepteert werknemer dit voorstel. Op 13 februari 2015 trekt werkgever – gezien de ernst van de onregelmatigheden – haar aanbod in en ontslaat werknemer alsnog op 17 februari 2015 op staande voet. De arbeidsovereenkomst is per 15 mei 2015 voorwaardelijk ontbonden.
Het hof oordeelt als volgt. Partijen hebben erover gedebatteerd of werkgever aan werknemer bij brief van 5 februari 2015 een aanbod had gedaan voor de beëindiging van het dienstverband én dat aanbod door werknemer op 13 februari 2015 door werknemer was aanvaard. Werkgever voert aan dat zij haar voorstel tijdig had ingetrokken dan wel had herroepen, dat het slechts een voorstel op hoofdlijnen betrof en dat het voorstel nimmer zou zijn gedaan bij een juiste voorstelling van zaken waardoor er sprake is van dwaling. Daarop is reeds een beroep gedaan, zodat de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd. Het ontslag op staande voet is eerst aan werknemer gegeven nadat werkgever haar voorstel had ingetrokken, aldus werkgever. Werknemer op zijn beurt betoogt dat hij het aanbod van werkgever tijdig had aanvaard, zodat er een beëindigingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en ontslag op staande voet van hem niet meer mogelijk was. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan in het midden blijven of er tussen partijen al dan niet een beëindigingsovereenkomst is tot stand gekomen. De door werkgever ingenomen standpunten kunnen haar niet baten, juist omdat het ontslag op staande voet in dit kort geding niet komt vast te staan.
Werkgever beroept zich nog op verrekening van de loonvordering met haar vorderingen uit schadevergoeding wegens onregelmatigheden in de administratie. Daartoe overweegt het hof dat, nu werknemer de door werkgever gestelde tekortkomingen en schade gemotiveerd heeft weersproken, het ook op dit punt aan werkgever is om hiervan bewijs bij te brengen.