Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Federatie Nederlandse Vakbeweging
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 9 december 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:9219

werkneemster/Federatie Nederlandse Vakbeweging

Vanwege het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil is FNV niet gebonden aan de aan werkneemster aangeboden te hoge vertrekpremie. Geen gerechtvaardigd vertrouwen werkneemster, nu de berekening evident onjuist was en zij daaromtrent haar twijfels had moeten hebben.

Werkneemster is sinds 2 januari 1974 werkzaam bij (de rechtsvoorganger(s) van) Federatie Nederlandse Vakbeweging (hierna: FNV), laatstelijk als medewerker bibliotheek, tegen een brutosalaris van € 2.792,09 exclusief vakantiegeld en emolumenten. Op 28 mei 2015 heeft FNV werkneemster per e-mail bericht over haar vrijwillige vertrekpremie in het kader van het sociaal plan. Bij voornoemde e-mail is een ‘berekening ontslagvergoeding’ gevoegd waarin een aantal salarisgegevens werden vermeld, waaronder het maandsalaris € 4.902,52. De ontslagvergoeding werd in voornoemde e-mail, op basis van voornoemd maandsalaris, vastgesteld op een bedrag ter hoogte van € 232.644,78. Bij e-mail van 22 juni 2015 heeft werkneemster FNV laten weten akkoord te gaan met voornoemde vertrekpremie. Op 8 juli 2015 heeft werkneemster aan FNV per e-mail bericht dat zij nog geen vaststellingsovereenkomst heeft ontvangen. Op 9 juli 2015 heeft FNV daarop geantwoord dat er inderdaad nog geen vaststellingsovereenkomst is verstuurd, aangezien de berekening van de ontslagvergoeding in de e-mail van 28 mei 2015 niet correct was. FNV heeft vervolgens een nieuwe berekening van de ontslagvergoeding gemaakt die, met toepassing van het maandsalaris ad € 2.792,37, uitkwam op € 104.332,05. Werkneemster vordert in kort geding veroordeling van FNV tot betaling van een bedrag ter hoogte van € 232.644,68. Werkneemster legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij een spoedeisend belang heeft en dat zij met haar e-mail van 22 juni 2015 het aanbod van FNV in de e-mail van 28 mei 2015 heeft aanvaard, zodat tussen partijen een beëindigingsovereenkomst is gesloten waarin aan werkneemster een vertrekpremie is toegekend van € 232.644,78. Werkneemster vordert nakoming van deze overeenkomst. FNV betwist dat er een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen, omdat het in de e-mail van 28 mei 2015 genoemde bedrag berustte op een onjuiste berekening, die niet overeenkwam met de wil van FNV, waardoor er volgens FNV geen sprake is van een rechtsgeldig aanbod. Nu het volgens FNV gaat om een evidente fout, mocht werkneemster er niet op vertrouwen dat het aanbod overeenstemde met de wil van FNV.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In dit geval is geen sprake van onverwijlde spoed die een onmiddellijke voorziening vereist. Vast staat dat het dienstverband met FNV niet is geëindigd en dat werkneemster recht heeft op betaling van haar salaris. Gesteld noch gebleken is dat zij in een financiële noodsituatie verkeert. Voorts acht de voorzieningenrechter het onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat FNV gebonden is aan de vermeende beëindigingsovereenkomst. In de kern gaat het geschil erom of sprake is van een rechtsgeldig aanbod door FNV. Niet in geschil is dat het bruto maandsalaris van werkneemster € 2.792,37 bedraagt. FNV heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het in de e-mail van 28 mei 2015 genoemde bedrag van € 232.644,78 berust op een vergissing, omdat bij de berekening van de vertrekpremie is uitgegaan van een veel hoger bruto maandsalaris (een bedrag van € 4.902,52). Nu deze vergissing resulteert in een aanmerkelijk hogere vertrekpremie in plaats van het op basis van het juiste salaris berekende bedrag van € 104.332,05, is het ook aannemelijk dat het in de e-mail genoemde hoge bedrag niet overeenstemde met de wil van FNV. Nu de verklaring van FNV niet overeenstemde met haar wil is er geen rechtsgeldig aanbod gedaan, zodat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Werkneemster heeft tevens niet gerechtvaardigd op de verklaring van FNV mogen vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW. Van een werknemer met het opleidingsniveau als dat van werkneemster mag worden verwacht dat hij zich bezint over een door de werkgever gedaan voorstel tot het beëindigen van de arbeidsrelatie met toekenning van een vertrekpremie en zich in dat kader globaal een voorstelling maakt van de hoogte daarvan. In dit geval sprong in de onjuiste berekening het bruto maandsalaris van € 4.902,52 onmiddellijk in het oog, omdat dit bedrag vet gedrukt was. Dat werkneemster niet op de hoogte was van de finesses van de ‘kantonrechtersformule’ en de daarbij gehanteerde uitgangspunten doet niet af aan het feit dat zij twijfels diende te hebben over de voor de berekening belangrijkste factor (het brutosalaris) die haar wél bekend was of kon zijn. Volgt afwijzing van de vorderingen.