Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 12 januari 2016
ECLI:NL:GHDHA:2016:7
werknemer/Petrotechnical Data Systems B.V. (PDS)
A, B en C zijn aandeelhouder van PDS. In de aandeelovereenkomst tussen partijen is bepaald dat zodra zij de status van werknemer verliezen, de aandelen aan de anderen verkocht moeten worden tegen de marktwaarde vermenigvuldigd met een bepaalde factor. Die factor is 0,25 in geval van ‘Reasonable Employer Cause’ (Bad leaver-clausule). Wat hieronder wordt verstaan is nader uitgewerkt in de overeenkomst. De arbeidsovereenkomst met C is door PDS met toestemming van het UWV opgezegd tegen 1 mei 2012 wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Volgens C is de opzegging kennelijk onredelijk. Zij vordert schadevergoeding van € 1.865.021,99. Voorts vordert werkneemster een verklaring voor recht dat haar ontslag niet valt aan te merken als een ‘bad leaver’. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. De gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar nu C daarbij geen rechtens te respecteren belang heeft (art. 3:303 BW). Immers, PDS is geen partij bij de aandeelhoudersovereenkomst, terwijl de partijen waartegen deze verklaring voor recht is gericht geen partij zijn in onderhavig geding. De gevorderde verklaring voor recht, indien deze zou worden gegeven in dit geding, heeft geen gezag van gewijsde voor de partijen bij de aandeelhoudersovereenkomst, en kan PDS niet worden tegengeworpen. C heeft voor het overige niet onderbouwd waarin haar belang schuilt.
Met betrekking tot de opzegging oordeelt het hof als volgt. De verhouding tussen A en C was onherstelbaar verstoord. Normale communicatie bleek al langere tijd onmogelijk. Daarbij speelt een rol dat er volgens C sprake is van een incompatibilité des humeurs en dat zij erkent er grote moeite mee te hebben gehad dat A gezag over haar uitoefende. Zij vindt dat zij zich dat niet behoefde te laten welgevallen. Op dit punt is van belang dat de verhoudingen nu eenmaal zo waren dat A - hij was middellijk enig statutair bestuurder van PDS - gezag over C had. Het is zonder meer duidelijk dat het ontslag voor C ernstige financiële gevolgen heeft, en dat dit voorzienbaar was. Het is aannemelijk dat C gezien haar leeftijd en opleiding een slechte arbeidsmarktpositie heeft. Dat leidt tot aanzienlijke inkomens- en pensioenschade, door haar berekend op een bedrag van € 1.535.172,09 bruto. Ook zal zij door de gedwongen verkoop van haar - door haar vennootschap gehouden - aandelen in PDS Holding toekomstige dividenduitkeringen missen. Ook als wordt uitgegaan van de door C genoemde bedragen maken deze financiële gevolgen het ontslag niet kennelijk onredelijk. Het hof acht van groot belang dat C in het kader van de arbeidsverhouding met PDS - waarbij het (indirecte) aandelenbelang in PDS Holding een rol speelt - zeer aanzienlijke geldbedragen heeft ontvangen en zal ontvangen. Daar komt bij dat C ook nog een aanzienlijk bedrag zal ontvangen bij de verkoop van haar reguliere aandelen. Dat geldt ook als daarbij een ‘Situational Factor’ van 0,25 wordt gehanteerd vanwege een ‘Reasonable Employer Cause’. Dit laatste is overigens sterk de vraag nu het bij een ‘Reasonable Employer Cause’ gaat om - kort samengevat en geparafraseerd - ernstig verwijtbare schending van het goed werknemerschap.