Naar boven ↑

Rechtspraak

Vorarlberger Gebietskrankenkasse tegen Alfred Knauer/Landeshauptmann von Vorarlberg tegen Rudolf Mathis
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 januari 2016
ECLI:EU:C:2016:37

Vorarlberger Gebietskrankenkasse tegen Alfred Knauer/Landeshauptmann von Vorarlberg tegen Rudolf Mathis

Een beroepsgebonden pensioenregeling van lidstaat A en een wettelijke pensioenregeling van lidstaat B zijn gelijkgestelde prestaties in de zin van Verordening 883/2004.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5 van Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 166, p. 1, en rectificatie PbEU L 200, p. 1) en artikel 45 VWEU. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Vorarlberger Gebietskrankenkasse (regionaal ziekenfonds van de deelstaat Vorarlberg, hierna: ziekenfonds) en A. Knauer enerzijds en de Landeshauptmann van Vorarlberg (gouverneur van de deelstaat Vorarlberg) anderzijds over de verplichting van Mathis om Oostenrijkse ziekenfondspremies te betalen voor het pensioen dat hij maandelijks ontvangt uit hoofde van een beroepsgebonden pensioenverzekering van het Vorstendom Liechtenstein. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat A. Knauer en R. Mathis woonachtig zijn in Oostenrijk en dat zij als ontvangers van een Oostenrijks pensioen op grond van het Allgemeine Sozialversicherungsgesetz zijn verzekerd voor ziektekosten. Aangezien zij voorheen in Zwitserland en Liechtenstein hebben gewerkt, ontvangen zij ouderdomspensioenen van een pensioenfonds in het kader van het Liechtensteinse beroepsgebonden pensioenstelsel (hierna: Liechtensteins pensioenfonds). Bij twee besluiten van 10 december 2013 heeft de gouverneur van de deelstaat Vorarlberg het bedrag van de premies van Knauer en Mathis verlaagd, omdat de beroepsgebonden pensioenregeling alleen gedeeltelijk, namelijk voor het gedeelte dat overeenstemt met de wettelijke minimumuitkeringen, onder de werkingssfeer van Verordening (EG) 883/2004 zou vallen en derhalve alleen daarvoor de verplichting tot premiebetaling van § 73a van het Allgemeine Sozialversicherungsgesetz bestond. Daarentegen zou het aanvullende gedeelte waarin is voorzien in het Gesetz über die betriebliche Personalvorsorge, dat betrekking heeft op ‘verdergaande prestaties’ dan de minimumuitkeringen, niet onder deze werkingssfeer vallen. Dit zou ook gelden voor het gedeelte van de Liechtensteinse beroepsgebonden pensioenregeling dat overeenkomt met prestaties waarvoor premie was betaald vóór de inwerkingtreding van het Gesetz über die betriebliche Personalvorsorge, dat wil zeggen vóór 1 januari 1989. Dit gedeelte zou op dezelfde wijze moeten worden behandeld als het aanvullende gedeelte. Het ziekenfonds heeft bij de verwijzende rechter tegen deze twee besluiten beroep ingesteld en Knauer heeft dit gedaan tegen het besluit waardoor hij is geraakt. Volgens het ziekenfonds moeten de verschuldigde premies worden berekend over de gehele maandelijkse pensioenen die door het Liechtensteinse pensioenfonds aan Knauer en Mathis worden uitgekeerd, terwijl volgens Knauer over deze pensioenen géén premie is verschuldigd. De verwijzende rechter twijfelt aan de juistheid van de opvatting van Oostenrijk en stelt daarom de volgende vraag aan het Hof van Justitie EU: Dient artikel 5 van Verordening (EG) 883/2004, gelet op artikel 45 VWEU, aldus te worden uitgelegd dat ouderdomspensioenen ingevolge een beroepspensioenverzekeringsstelsel (dat is geïnitieerd en wordt gewaarborgd door de staat, de voortzetting van de eerdere levensstandaard op redelijke wijze mogelijk moet maken, volgens het kapitalisatiebeginsel functioneert, in beginsel verplicht is, maar dat ook kan voorzien in boven het wettelijke minimum liggende zogenoemde ‘aanvullende’ premies en in dienovereenkomstig hogere prestaties, en waarvan de uitvoering plaatsvindt door een door de werkgever op te richten of aan te wijzen verzekeringsinstelling, zoals in casu de pensioenregeling van de ‘tweede pijler’ in Liechtenstein) en ouderdomspensioenen ingevolge een wettelijke pensioenregeling (die eveneens is geïnitieerd en wordt gewaarborgd door de staat, die de voortzetting van de eerdere levensstandaard op redelijke wijze mogelijk moet maken, maar volgens het omslagprincipe functioneert, verplicht is en waarvan de uitvoering wordt verzorgd door krachtens de wet opgerichte pensioenverzekeringsinstellingen, zoals in casu de pensioenregeling van Oostenrijk) ‘gelijkgesteld’ zijn in de zin van de genoemde bepaling?

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Vast staat dat de beroepsgebonden pensioenverzekering in het hoofdgeding in haar geheel voorwerp is van een op grond van artikel 9 van Verordening (EG) 883/2004 gegeven verklaring van het Vorstendom Liechtenstein, dat voor de toepassing van deze verordening met een lidstaat moet worden gelijkgesteld. De ouderdomsuitkeringen van deze verzekering moeten derhalve worden beschouwd als vallende onder de werkingssfeer van deze verordening. In de tweede plaats heeft de vraag, zelfs als zij verwijst naar artikel 5 van Verordening (EG) 883/2004 in het algemeen, in werkelijkheid betrekking op de uitlegging van het begrip ‘gelijkgestelde prestaties’ in de zin van artikel 5 onder a van deze verordening. In deze omstandigheden moet de door de verwijzende rechter gestelde vraag aldus worden begrepen dat hij wenst te vernemen of, in de omstandigheden van het hoofdgeding, artikel 5 onder a van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat de ouderdomsuitkeringen van een beroepsgebonden pensioenverzekering van een lidstaat en die van een wettelijke pensioenverzekering van een andere lidstaat, welke verzekeringen beide onder de werkingssfeer van die richtlijn vallen, gelijkgestelde prestaties in de zin van die bepaling zijn. Vervolgens dient het begrip ‘gelijkgestelde prestaties’ in de zin van artikel 5 onder a van Verordening (EG) 883/2004 met betrekking tot meer in het bijzonder ouderdomsuitkeringen, zoals die in het hoofdgeding, en rekening houdende met de rechtspraak van het Hof waarnaar de Uniewetgever in overweging 9 van die verordening verwijst, te worden uitgelegd als in wezen verwijzende naar twee ouderdomsuitkeringen die vergelijkbaar zijn (zie in die zin het arrest Klöppel, C-507/06, ECLI:EU:C:2008:110, punt 19). Wat het vergelijkbare karakter van dergelijke ouderdomsuitkeringen betreft, dient rekening te worden gehouden met de doelstelling van die prestaties en van de regelingen waarbij zij zijn vastgesteld (zie, naar analogie, het arrest O, C-432/14, ECLI:EU:C:2015:643, punt 33). Wat het hoofdgeding betreft, volgt uit de tekst zelf van de vraag dat de ouderdomsuitkeringen van de Liechtensteinse beroepspensioenverzekering en die uit hoofde van de Oostenrijkse wettelijke pensioenregeling dezelfde doelstelling hebben, namelijk aan de ontvangers ervan het behoud van een levensstandaard garanderen die in verhouding staat tot die welke zij vóór hun pensionering genoten. Op de gestelde vraag dient derhalve te worden geantwoord dat artikel 5 onder a van Verordening (EG) 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding ouderdomsuitkeringen van een beroepsgebonden pensioenverzekering van een lidstaat en die van een wettelijke pensioenverzekering van een andere lidstaat, welke verzekeringen beide onder de werkingssfeer van die richtlijn vallen, gelijkgestelde prestaties in de zin van deze bepaling zijn, aangezien de twee categorieën van uitkeringen dezelfde doelstelling nastreven, namelijk aan de ontvangers ervan het behoud van een levensstandaard garanderen die in verhouding staat tot die welke zij vóór hun pensionering genoten.