Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 17 december 2015
ECLI:NL:RBGEL:2015:8278
werkgeefster/werknemer
Werknemer is sinds 8 november 2005 in dienst bij X in de functie van elektronicareparateur. Zijn arbeidsovereenkomst is in 2008 voor de derde keer met een jaar verlengd. In 2009 is X overgenomen door werkgeefster. Tussen werkgeefster en werknemer is in het kader van de bedrijfsovername een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op schrift gesteld met ingang van 8 oktober 2009. In laatstgenoemde arbeidsovereenkomst is zowel een concurrentie- als een relatiebeding opgenomen voor een tijdvak van drie jaren na het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft op 21 augustus 2015 zijn arbeidsovereenkomst met werkgeefster opgezegd. Per 1 oktober 2015 is werknemer werkzaamheden gaan verrichten voor ATV Agri Products. Deze werkzaamheden voert hij uit op basis van een payrollcontract met Prokx Payroll Professionals B.V. Werkgeefster vordert in conventie de veroordeling van werknemer om tot 1 oktober 2018 het tussen hem en werkgeefster overeengekomen concurrentiebeding na te komen, op straffe van een dwangsom, en tot betaling van diverse boetes op basis van schending van het concurrentie- en relatiebeding. Werknemer vordert in reconventie onder meer het tussen partijen overeengekomen concurrentie- en relatiebeding en de bijbehorende boeteclausules vanaf 1 oktober 2015 op te schorten.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat een concurrentie- en relatiebeding niet is bedoeld voor werkgevers om werknemers aan zich te kunnen binden. Daarvoor staan werkgevers andere middelen ter beschikking, zoals het salaris en arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Een concurrentiebeding is bedoeld om oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Werkgeefster heeft gedurende het dienstverband niet bijgedragen aan de opleiding van werknemer of aan het vergaren van zijn specifieke deskundigheid. Werknemer heeft dit zichzelf eigen gemaakt. Werknemer heeft weliswaar een vast contract overgehouden aan de overname, maar dat had hij hoogstwaarschijnlijk voordien ook al, omdat zijn contract reeds drie keer was verlengd, zodat hij in beginsel vanaf november 2008 in vaste dienst was. Nu er in 2009 sprake was van een overgang van onderneming, kan ervan uit worden gegaan dat hij ook in de nieuwe onderneming een vast contract had. Indien werknemer zich destijds bewust was geweest van zijn sterke positie tegenover werkgeefster zou hij het concurrentie- en relatiebeding hoogstwaarschijnlijk niet hebben ondertekend. Aan de zijde van werkgeefster is van belang dat haar voldoende gelegenheid dient te worden geboden om de vervanger van werknemer zodanig op te leiden, dat zij in de concurrentiestrijd met andere bedrijven haar slagkracht kan weten te behouden. Aan de zijde van werknemer is onder meer van belang dat hij zichzelf binnen deze markt op eigen kracht heeft ontwikkeld en dat hij reeds de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt. Gelet op deze belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het concurrentiebeding slechts gedurende zes maanden na de uitdiensttreding van werknemer bij werkgeefster in stand te laten. Ten aanzien van het relatiebeding staat vast dat werkgeefster op het gebied van recreatievoertuigen nagenoeg monopolist is en aldus vrijwel alle partijen die op de markt actief zijn tot haar klantenkring mag rekenen. Deze marktpositie laat zij zien door een lijst met relaties te publiceren op haar website. Er is dan ook geen sprake van een unieke relatieportefeuille die op zichzelf een zekere waarde vertegenwoordigt. Werkgeefster heeft onvoldoende belang bij handhaving van het relatiebeding na ommekomst van de zojuist genoemde zes maanden, zodat ook het relatiebeding na zes maanden zal worden geschorst. Werkgeefster heeft tot slot onvoldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer na zijn uitdiensttreding het concurrentie- en relatiebeding heeft overtreden, zodat de vordering tot betaling van diverse boetes zal worden afgewezen.