Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 2 februari 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:921
werknemer/Living-IT B.V.
Werknemer is op 1 november 2012 in dienst getreden bij Living-IT B.V. (hierna: Living-IT) in de functie van Senior Test Consultant. Living-IT is een onderneming die IT-werkzaamheden verricht. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Sinds 1 april 2014 is werknemer, via Living-IT, werkzaam bij NS. Bij brief van 15 oktober 2015 heeft NS werknemer aangeboden om per 1 januari 2016 bij NS als Performance Consultant in dienst te treden. Living-IT heeft echter te kennen gegeven dat het werknemer niet vrijstaat om bij NS in dienst te treden, gezien het tussen partijen gesloten concurrentiebeding. Per e-mailbericht van 30 november 2015 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst per 1 januari 2016 opgezegd, onder de ontbindende voorwaarde dat de kortgedingrechter oordeelt dat het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst aan indiensttreding bij NS per 1 januari 2016 in de weg staat. Werknemer vordert Living-IT te verbieden werknemer te houden aan het concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst en Living-IT te gebieden het werknemer toe te staan in dienst te treden bij NS.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is sprake van een spoedeisend belang. Tevens verbiedt het concurrentiebeding werknemer naar het oordeel van de kantonrechter om bij een bedrijf werkzaam te zijn dat activiteiten verricht, dan wel daaromtrent adviezen geeft, soortgelijk of aanverwant aan die, welke verricht worden door Living-IT. Beoordeeld dient te worden of NS een dergelijk bedrijf is. Living-IT verricht IT-werkzaamheden voor derden. NS is een bedrijf dat zich richt op het vervoer van reizigers over het spoor. Het feit dat NS beschikt over een omvangrijke ICT-afdeling waar IT-werkzaamheden worden verricht heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet tot gevolg dat NS moet worden aangemerkt als een onderneming in de zin van het concurrentiebeding. Bij NS staan de IT-werkzaamheden immers ten dienste van de ‘core business’, namelijk het vervoeren van reizigers over het spoor, terwijl bij Living-IT het verrichten van IT-werkzaamheden voor derden juist haar ‘core business’ is. Indien Living-IT met het concurrentiebeding ook heeft beoogd werknemer te verbieden bij een IT-bedrijfsonderdeel van een grote onderneming werkzaam te zijn, had Living-IT dat in duidelijke bewoordingen in het concurrentiebeding moeten opnemen, hetgeen niet is gebeurd. Gelet op het feit dat een concurrentiebeding de werknemer beperkt in zijn recht om na het einde van de arbeidsovereenkomst werkzaam te zijn op een wijze die de werknemer geheel zelf heeft gekozen, is de kantonrechter van oordeel dat de omvang van een concurrentiebeding voor de werknemer bij het aangaan daarvan duidelijk moet zijn en dat bij onduidelijkheid over de inhoud daarvan het beding in beginsel in het voordeel van de werknemer dient te worden uitgelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is de door Living-IT beoogde omvang van het concurrentiebeding, dat het tevens niet is toegestaan bij een IT-bedrijfsonderdeel van een grote onderneming werkzaam te zijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen voor werknemer niet duidelijk en was dat zeker niet het geval bij het aangaan van de overeenkomst. Deze onduidelijkheid komt voor risico van Living-IT. De kantonrechter bepaalt dan ook als ordemaatregel dat het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst niet aan indiensttreding bij NS in de weg staat.