Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 9 februari 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:768
Federatie Nederlandse Vakbeweging c.s./Klomp Groepsvervoer B.V.
Klomp Groepsvervoer B.V. (hierna: Klomp) legt zich toe op vervoer van leerlingen in het primair onderwijs, speciaal onderwijs en personen met een beperking. Op de arbeidsovereenkomsten met de werknemers van Klomp is de CAO Taxivervoer van toepassing. Klomp is lid van Taxivervoer Nederland, de werkgeversorganisatie die partij is bij de CAO Taxivervoer. De CAO Taxivervoer is algemeen verbindend verklaard in de periode van 4 april 2014 tot 1 januari 2016. Klomp is in de loop van 2015 in een situatie terechtgekomen dat zij niet langer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen. Zij verkeerde en verkeert ook thans op de rand van een faillissement. Contracten van Klomp op het gebied van school- en instellingenvervoer in de regio Veluwe en de gemeenten Rhenen, Veenendaal en Utrecht zijn geëindigd. Het grootste deel van het personeel dat ten behoeve van dat vervoer werkzaam was, is overgegaan naar een opvolgend vervoerder. Klomp heeft werknemers die niet zijn overgegaan in dienst gehouden en ingezet op andere routes. Met ingang van 1 september 2015 heeft Klomp de stalplaatsregeling ingevoerd, waarbij het uitgangspunt is dat de chauffeurs de te gebruiken auto’s bij aanvang van de dienst ophalen bij het startpunt van de route en na afloop van de dienst daar weer terugbrengen (stalplaats). Voor de chauffeurs van Klomp brengt dat mee dat zij niet worden uitbetaald voor woon-werkverkeer. De FNV vordert Klomp te gebieden ten aanzien van haar medewerkers toepassing te blijven geven aan het bepaalde in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer.
Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer kunnen de werkgever en de werknemer in overleg besluiten dat de werknemer een personenauto bij einde van de dienst mee naar huis neemt. In dat geval parkeert de werknemer het voertuig in de nabijheid van zijn woning. Bij aanvang van de volgende dienst kan de werknemer direct over het voertuig beschikken. In dat geval wordt op de totale diensttijd maximaal 15 minuten per dag als woon-werkverkeer in mindering gebracht. De overige uren worden als arbeidstijd uitbetaald. Het hof stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding daarvan (art. 6:217 BW). Een aanbod, alsook de aanvaarding daarvan, kunnen in beginsel in iedere vorm geschieden. Zij kunnen ook besloten liggen in één of meer gedragingen. Het hof is voorlopig van oordeel dat tot 1 september 2015 in de gedragingen van Klomp en haar werknemers lag besloten dat in onderling overleg (als bedoeld in art. 2.1.6 van de CAO Taxivervoer) is besloten en aldus is overeengekomen om de voor de uitvoering van het vervoer ter beschikking gestelde auto bij het einde van de dienst mee naar huis te nemen. Klomp heeft niet betwist dat haar werknemers tot 1 september 2015 altijd op deze wijze hun werkzaamheden als chauffeur hebben verricht, waarbij Klomp steeds artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer heeft toegepast. Anders dan Klomp heeft aangevoerd is dan ook niet van belang dat Klomp en haar werknemers hierover niet (formeel) met elkaar hebben overlegd. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is Klomp naar het voorlopig oordeel van het hof gehouden ook na 1 september 2015, in de situatie dat de werknemers de auto na afloop van de dienst mee naar huis nemen, toepassing te (blijven) geven aan artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer en haar werknemers conform voornoemd artikel uit te betalen.