Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 27 januari 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:434
werknemer/Atos Nederland B.V.
Werknemer is vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 oktober 2014 in dienst geweest bij Atos Nederland B.V. (hierna: Atos). In de op werknemer van toepassing zijnde arbeidsvoorwaardengids staat onder meer opgenomen dat de arbeidsongeschikte werknemer bovenwettelijke vakantiedagen opbouwt over het tijdvak van de laatste zes maanden waarin wegens arbeidsongeschiktheid geen arbeid werd verricht. Werknemer is sinds 17 augustus 2011 arbeidsongeschikt als gevolg van (onder meer) een depressie. Vanaf 12 mei 2014 heeft werknemer re-integratiewerkzaamheden verricht in de functie van Quality Manager. De arbeidsovereenkomst is op verzoek van Atos bij beschikking van de kantonrechter van 29 oktober 2014 per 1 november 2014 ontbonden. Bij de eindafrekening heeft Atos een totaal van 218 openstaande vakantie-uren aan werknemer uitbetaald. Op het overzicht van werknemer op het online portal van Atos, MyAtos, staan op 31 oktober 2014 536 vakantie-uren vermeld. Partijen hebben enige tijd gecorrespondeerd over het juiste aantal vakantie-uren waarop werknemer aanspraak zou kunnen maken, maar zijn het hier niet over eens geworden. Werknemer vordert veroordeling van Atos tot betaling van een totaal van 455 (resterende) vakantie-uren. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat voor de wettelijke vakantiedagen van 2012 en 2013 een verjaringstermijn van vijf jaar geldt en niet een vervaltermijn van zes maanden, omdat hij vanwege zijn ziekte niet in staat is geweest de vakantiedagen op te nemen. Voor hem geldt de uitzondering van artikel 7:640a BW. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen geldt dat het Atos niet was toegestaan om hiervoor een afwijkende regeling vast te stellen dat deze tijdens ziekte alleen gedurende de laatste zes maanden van ziekte worden opgebouwd.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Wat onder de uitzondering van artikel 7:640a BW wordt verstaan is onderwerp van gesprek geweest in de Tweede Kamer, zo blijkt uit de parlementaire stukken (Kamerstukken II 2009/10, 32465). Uit die stukken volgt dat doorslaggevend is of er re-integratieverplichtingen zijn opgelegd aan de werknemer. Uit de stukken die tijdens de procedure zijn overgelegd blijkt dat reeds na een paar maanden - in 2011 - is gesproken over re-integratie en door de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige is geoordeeld dat werknemer wel belastbaar was maar dat een geschikte functie moest worden gezocht, omdat hij niet kon terugkeren naar zijn eigen werk. De bedrijfsarts heeft dus niet geoordeeld dat geen re-integratie mogelijk was. Bij zijn stelling dat er pas vanaf 12 mei 2014 werd gere-integreerd is werknemer ten onrechte uitgegaan van het moment waarop daadwerkelijk aan de re-integratie invulling is gegeven. Dat moment valt in dit geval niet samen met de verplichting tot re-integratie. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat Atos terecht het standpunt heeft ingenomen dat de wettelijke vakantiedagen over 2012 en 2013 vervallen zijn. De uitzondering van artikel 7:640a BW gaat in het geval van werknemer niet op.
Met betrekking tot de opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen tijdens ziekte oordeelt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 7:635 lid 5 BW is bepaald dat ingeval een aanspraak op vakantie is verworven die het minimumaantal te boven gaat, van artikel 7:634 lid 1-4 BW bij schriftelijke overeenkomst kan worden afgeweken ten nadele van de werknemer. Dit houdt in dat voor de opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen kan worden gekozen voor een andere dan de wettelijke systematiek. Zowel sociale partners als werkgevers en werknemers zijn gerechtigd tot het maken van deze afwijkende afspraken, mits dit bij schriftelijke overeenkomst geschiedt. Daarnaast kan het incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst, waarin de arbeidsvoorwaardengids van toepassing is verklaard, zo worden opgevat dat deze zich mede uitstrekt tot alle wijzigingen die zich daarin voordoen. Dat werknemer bij zijn indiensttreding heeft getekend voor de arbeidsvoorwaardengids die op dat moment gold, maakt niet dat een wijziging van die gids op hem niet van toepassing is. Volgt afwijzing van de vordering van werknemer.