Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 28 januari 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:1148

werkneemster/werkgever

Transitievergoeding ad € 43.722,36 verschuldigd. Dat werkneemster door haar huwelijk met de bestuurder van de bv heeft kunnen profiteren van de winst uit onderneming doet hieraan niets af. Overbruggingsregeling kleine MKB'er mist in casu toepassing.

Werkgever wordt bestuurd door X. Werkneemster is op 16 augustus 1984 in dienst getreden bij werkgever, laatstelijk in de functie van administratief medewerkster. Werkneemster en X zijn tussen 1990 en 2010 gehuwd geweest. Na de echtscheiding is het dienstverband van werkneemster geformaliseerd met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ten tijde van het aanhangig zijn van de onderhavige procedure heeft werkgever op 26 oktober 2015 een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV, op grond van bedrijfseconomische redenen. Bij beslissing d.d. 16 november 2015 heeft het UWV de vergunning verleend, waarna werkgever de arbeidsovereenkomst met werkneemster heeft opgezegd tegen 31 december 2015. Werkneemster verzoekt thans om haar een transitievergoeding ter hoogte van € 43.722,36 toe te kennen. Werkgever voert verweer.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De omstandigheid dat werkgever is ontbonden betekent niet dat werkneemster niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar verzoek. De procedure is immers aangevangen voor het tijdstip van ontbinding van de bv. Voorts mist het bepaalde in artikel 24 lid 2 sub a van de Ontslagregeling, welke door werkgever is aangevoerd, toepassing, omdat de arbeidsovereenkomst is beëindigd per 31 december 2015 en derhalve de resultaten uit het jaar 2012 medebepalend zijn voor de beoordeling. Onbetwist staat vast dat in 2012 een positief nettoresultaat bestond. Werkgever kan zich dan ook niet met succes beroepen op de overbruggingsregeling ex artikel 7:673d BW. Na de echtscheiding van werkneemster en X in 2010 werden de arbeidsvoorwaarden nader vastgelegd. De kantonrechter ziet niet in op grond waarvan slechts de jaren vanaf 2010 dienen mee te tellen bij de bepaling van de omvang van de vergoeding, zoals door werkgever bepleit. De gestelde omstandigheden leiden niet tot die beslissing. Het feit dat werkneemster heeft kunnen profiteren door haar huwelijk van de winst uit onderneming en haar salaris opzij heeft kunnen zetten, maakt dit niet anders. Dat partijen in de arbeidsovereenkomst van maart 2010 zijn overeengekomen dat bij staking van de onderneming geen afvloeiingsvergoeding verschuldigd zou zijn, kan evenmin leiden tot afwijzing van het verzoek. Immers, op het moment van het sluiten van die overeenkomst waren partijen nog niet bekend met de regeling van de transitievergoeding zoals deze thans geldt. Bovendien is afwijking van de wettelijke regeling van de transitievergoeding alleen mogelijk bij cao, waarvan in de onderhavige zaak geen sprake is. De berekening van werkneemster van de transitievergoeding is niet afzonderlijk betwist en het bedrag ad € 43.722,36 wordt dan ook toegewezen.