Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 18 februari 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:632
Storteboom Kornhorn B.V./werknemer
Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden ingevolge artikel 7:671b lid 1 onder a BW. Aan dit verzoek legt werkgever ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk is. Dit wordt door werknemer niet betwist.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu de werknemer heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1 onder a BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onder g BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer. Partijen zijn het erover eens dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2016 de opzegtermijn als bedoeld in artikel 7:672 BW in acht wordt genomen, zodat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8 onder a BW zal worden ontbonden per 1 mei 2016. Partijen zijn – blijkens bijgevoegde vaststellingsovereenkomst – overeengekomen dat de werknemer aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 12.500 bruto, waarin de transitievergoeding wordt geacht te zijn inbegrepen. Partijen zijn voorts overeengekomen dat de werkgever bij vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding. De vaststellingsovereenkomst zal aan dit vonnis worden gehecht.