Naar boven ↑

Rechtspraak

HTM Personenvervoer N.V./de ondernemingsraad van de HTM
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 4 maart 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:2397

HTM Personenvervoer N.V./de ondernemingsraad van de HTM

De kantonrechter verleent vervangende toestemming ex artikel 27 WOR voor de invoering van het Dienstenpakket Rail 2016. Immers, het door HTM gestelde bedrijfseconomische belang is voldoende zwaarwegend.

In 2015 heeft tussen HTM en de OR overleg plaatsgevonden over de personele gevolgen van de door HTM voorgenomen invoering van een nieuwe dienstregeling voor de door HTM geƫxploiteerde tramlijnen voor het jaar 2016. Per 13 december 2015 is de dienstregeling voor 2016 in werking getreden. Het dienstenpakket dient met instemming van de OR te worden vastgesteld. Thans verzoekt HTM vervangende toestemming voor de invoering van het Dienstenpakket Rail 2016. Primair heeft de OR instemming op onredelijke gronden geweigerd. Subsidiair is sprake van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische en bedrijfseconomische belangen van HTM bij invoering van het dienstenpakket. De OR verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de weigering van de OR om in te stemmen met het besluit tot invoering van de nieuwe dienstregeling niet onredelijk is en dat er geen sprake is van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen voor de invoering van de nieuwe dienstregeling.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak om de vraag of vervangende toestemming verleend moet worden voor de invoering van het Dienstenpakket Rail 2016. De primaire standpunten van partijen over die vraag zijn echter niet zonder meer op hun inhoudelijke juistheid te toetsen. Partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunten een indrukwekkende hoeveelheid tekst en producties voorgelegd. Partijen zijn het er daarbij (terecht) over eens dat het om een zeer complexe materie gaat. Normaliter zou de kantonrechter een deskundige benoemen om na onderzoek een (wellicht groot) aantal vragen te beantwoorden. De kantonrechter heeft zich echter afgevraagd of het wel die richting in zou moeten gaan. Het zou immers een aanzienlijke procedurele vertraging kunnen opleveren. Om die reden dient uit proceseconomische en praktische overwegingen bezien te worden of het subsidiaire standpunt van de HTM, gegrond op de zwaarwegende bedrijfsorganisatorische en -economische belangen van de HTM, tot de verzochte toestemming zou kunnen leiden. Dat is in deze zaak het geval, zodat de vervangende toestemming verleend zal worden. Daartoe is het navolgende te overwegen. HTM heeft betoogd dat indien tegemoetgekomen zou worden aan de eisen van de OR, dit aanzienlijke extra bedragen zou gaan kosten aan HTM, terwijl er met de bonden nu juist concrete afspraken werden gemaakt over extra investeringen ten behoeve van verbetering van de arbeidsomstandigheden van personeel. Er zijn door HTM in dat kader concrete jaarlijkse bedragen genoemd. Onweersproken is dat deze bedragen ruimschoots uitstijgen boven hetgeen met de bonden afgesproken werd door HTM. Die afspraken kwam HTM na. Voorts staat vast dat de Dienstregeling 2016 in werking is getreden en dat een terugkeer naar (een) oude dienstregeling(en) niet mogelijk is. Er bestaat onmiskenbaar tijdsdruk. Op grond van hetgeen in deze zaak gebleken is, dient het door HTM gestelde bedrijfseconomische belang als voldoende zwaarwegend te worden aangemerkt. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van HTM zal honoreren.

  • Rechters: W. ten Cate
  • Advocaten: M.J.M.T. Keulaerds en E.A. van Win
  • Wetsartikelen: 27 WOR
  • Onderwerpen: Instemmingsrecht (27 WOR)
  • Trefwoorden: instemmingsrecht, vervangende toestemming, dienstregeling, Dienstenpakket Rail , onredelijke gronden, zwaarwegende bedrijfsorganisatorische en bedrijfseconomische belangen en onmiskenbare tijdsdruk