Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/X c.s.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 1 maart 2016
ECLI:NL:RBLIM:2016:1789

werkneemster/X c.s.

Arbeidsovereenkomst met PGB-budgethouder. Bewindvoerder dient een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ad € 3900 en (billijke) vergoeding ad € 200 te betalen.

De rechtbank heeft bewind ingesteld over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan X met benoeming van een bewindvoerder. Aan X is een PGB toegekend. Op 1 januari 2015 is X een zorgovereenkomst met werkneemster aangegaan. Deze overeenkomst vermeldt als subkopje ‘arbeidsovereenkomst’ en uit hoofde van die overeenkomst dient werkneemster als zorgverlener ten behoeve van X als budgethouder werkzaamheden te verrichten. Nadien is een mentorschap ingesteld over X met benoeming van een mentor. Op een gegeven moment is voormelde overeenkomst door mentor opgezegd per 1 oktober 2015. Thans verzoekt werkneemster betaling van een billijke vergoeding en het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had moeten voortduren. Bewindvoerder en mentor voeren gemotiveerd verweer.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De tussen partijen gesloten overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 lid 1 BW. Dat brengt mee dat op deze overeenkomst de bepalingen van titel 10 van Boek 7 BW van toepassing zijn. De bijzondere aard van deze arbeidsovereenkomst, die tevens een zorgovereenkomst is en in de privé-omgeving van de werkgever wordt ingevuld, die betrekking heeft op persoonlijke zorg en waar de budgethouder over het algemeen niet in de sterkere positie ten opzichte van werkneemster verkeert, kleurt de overeenkomst evenwel nader in en kan aldus van invloed zijn op de toewijsbaarheid van de vorderingen. In het onderhavige geval staat vast dat mentor de arbeidsovereenkomst op 27 oktober 2015 per 1 oktober 2015 schriftelijk heeft opgezegd. Dit is in strijd met hetgeen bepaald is in de arbeidsovereenkomst en met artikel 7:672 lid 1 en lid 2 onderdeel a BW, omdat niet tegen het einde van de kalendermaand is opgezegd en geen opzegtermijn van één maand in acht is genomen. De mentor had, indien zij op regelmatige wijze zou hebben opgezegd, de overeenkomst pas tegen 1 december 2015 kunnen opzeggen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:672 lid 9 BW is bewindvoerder aan werkneemster een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Gelet op het bepaalde in artikel 7:672 lid 10 BW (de ondergrens van drie maanden) zal de op grond van artikel 7:672 lid 9 BW gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een bedrag van € 3.900 bruto, worden toegewezen. Naast de vergoeding wegens onregelmatige opzegging acht de kantonrechter een vergoeding van € 200 bruto billijk. De kantonrechter realiseert zich dat de aard van de arbeidsrelatie met zich brengt dat de bewindvoerder van X het loon van werkneemster voldoet vanuit een aan X door de overheid toegekend PGB. Niet betwist is dat hij daarnaast enkel een Wajong-uitkering ontvangt, waarmee hij in zijn levensonderhoud moet voorzien. Hieruit volgt dat de door de bewindvoerder van X te betalen en hiervoor toegewezen vergoeding ten laste zal komen van zijn PGB, wat ertoe zal leiden dat hij geheel of gedeeltelijk niet meer de zorg kan inkopen die hij nodig heeft. Voor X als werkgever zal dit een wrange uitkomst zijn. Die uitkomst hangt echter nauw samen met keuzes die de wetgever met de invoering van het PGB heeft gemaakt (de zorgbehoevende wordt werkgever) en met de keuze die zijn moeder als mentor heeft gemaakt.