Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 8 maart 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:856
werkgever/werknemer
Werknemer is op 3 september 1979 in dienst getreden bij werkgever. Werkgever heeft op 17 september 2012 aan het UWV toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met 279 werknemers op te zeggen vanwege beëindiging van haar bedrijfsactiviteiten. Na daartoe verleende toestemming door het UWV heeft werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd per 1 februari 2013. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd te verklaren dat werkgever de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft opgezegd, met veroordeling van werkgever tot betaling van een schadevergoeding van € 32.613,40. De kantonrechter heeft in eerste aanleg de vordering van werknemer toegewezen en werkgever veroordeeld om aan werknemer € 13.750 aan schadevergoeding te betalen. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Werkgever heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde bedrijfseconomische redenen verwezen naar haar jaarrekeningen, waaruit blijkt dat het resultaat en het eigen vermogen in de periode van 2009 tot 2012 aanzienlijk zijn teruggelopen. Bovendien heeft de controlerend accountant van werkgever de conclusie van de directie van werkgever, dat een duurzame voortzetting van de bedrijfsactiviteiten niet meer mogelijk was, onderschreven. Daarnaast is niet gebleken dat werkgever onvoldoende heeft gedaan om het tij te keren. Werkgever heeft in oktober 2011 een nieuwe directeur aangesteld en er zijn vernieuwingsprojecten gestart, maar dit heeft niet mogen baten. Voornoemde bedrijfseconomische omstandigheden waarin werkgever verkeerde, liggen weliswaar in de risicosfeer van werkgever, maar dat neemt niet weg dat de slechte financiële situatie van werkgever mede het gevolg was van economische omstandigheden die haar niet kunnen worden verweten. Het stond werkgever dan ook vrij om noodzakelijke maatregelen te nemen. De enkele omstandigheid dat uit de brief van de controlerend accountant niet blijkt dat een faillissement niet te voorkomen was, maakt dit niet anders. Werkgever heeft een beroep gedaan op het ‘habe nichts’-verweer. Volgens werkgever was zij gezien haar financiële situatie in 2012 niet in staat om al haar 279 ontslagen werknemers een beëindigingsvergoeding te betalen. Werknemer heeft dit verweer onvoldoende gemotiveerd betwist. Werknemer heeft in algemene bewoordingen aangevoerd dat met verhuurders regelingen zijn getroffen, dat een schoonmaakcontract is opgezegd en dat sprake was van meer omzet dan verwacht, maar gesteld noch gebleken is dat deze omstandigheden tot een aanpassing of wijziging van de jaarstukken over de periode 2009 tot 2012 moeten of kunnen leiden. Werkgever heeft weliswaar geen financiële voorziening getroffen voor werknemer, maar vanwege haar financiële situatie, het staken van 18 vestigingen en het ontslag van 279 werknemers kon dat naar het oordeel van het hof, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, in redelijkheid ook niet van haar worden gevergd. De leeftijd van werknemer (52 jaar), de duur van zijn dienstverband (ruim 33 jaar in dienst), zijn eenzijdige werkervaring, zijn goede functioneren, de nadelige gevolgen voor hem en zijn slechte positie op de arbeidsmarkt maken dit oordeel niet anders. De keuze om al die jaren bij werkgever te blijven werken, was de eigen keuze van werknemer, zodat deze omstandigheid en de daaruit volgende eenzijdige werkervaring en geringe kansen op de arbeidsmarkt niet geheel aan werkgever kunnen worden tegengeworpen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de opzegging niet kennelijk onredelijk is, ondanks de duidelijk negatieve gevolgen daarvan voor werknemer. Volgt toewijzing van de vorderingen van werkgever.