Naar boven ↑

Rechtspraak

Nedec BV/werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 maart 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:1715
Met annotatie door mr. O. van der Kind

Nedec BV/werknemer

Nietige proeftijdopzegging. Voorwaardelijke ontbinding toegewezen op g-grond na aangevoerde e-grond is vernietigbaar. Loonmatiging in casu niet toewijsbaar.

Nedec heeft met werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten voor bepaalde tijd, ingaande 7 mei 2015 en met einddatum 5 november 2015. In deze arbeidsovereenkomst is een proeftijdbeding opgenomen. Bedoeling van partijen was dat werknemer via Nedec tewerkgesteld zou worden bij een vestiging van de Rabobank. Daartoe diende werknemer eerst een cursus te volgen. Anders dan de andere cursisten, blijkt werknemer niet over een Rabobank-laptop en pas te beschikken. Werknemer informeert hiernaar en als de laptop en pas niet snel genoeg beschikbaar worden gesteld vindt er een woordenwisseling plaats tussen contactpersoon bij de bank en werknemer. Kort daarna trekt de Rabobank de opdracht bij Nedec in. Nedec ontslaat werknemer in de proeftijd. Werknemer beroept zich uiteindelijk op de nietigheid van de opzegging (geen rechtsgeldig proeftijdbeding) en vordert loon. Nedec verzoekt voorwaardelijke ontbinding op grond van de e-grond. Volgens de kantonrechter is er sprake van een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat van Nedec niet langer gevergd kan worden dat deze voortduurt. Met toepassing van artikel 7:671b lid 8 BW ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2015. Voorts matigt de kantonrechter de loonvordering op de voet van artikel 6:248 BW tot het loon over de periode tot 7 augustus 2015. De wettelijke verhoging wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Het hof oordeelt als volgt. Nedec stelt in hoger beroep dat de arbeidsovereenkomst eerder dan 31 oktober 2015 had moeten eindigen. Op de vraag of het wettelijk stelsel het hof dit toestaat, heeft Nedec haar vordering ingetrokken. De grief van werknemer is terecht voorgedragen: de kantonrechter heeft ten onrechte ontbonden op de g-grond in plaats van de door Nedec ingeroepen e-grond van artikel 7:669 lid 3 BW. Werknemer heeft evenwel nagelaten daaraan in zijn petitum een rechtsgevolg te verbinden (zoals opgenomen in art. 7:683 lid 3 BW), zodat het hof het bij deze constatering moet laten. De arbeidsverhouding die krachtens overeenkomst op 5 november 2015 zou eindigen, is door de ontbinding per 31 oktober 2015 geëindigd.

Voor wat de aanspraak op loon betreft over de periode van 11 mei 2015 tot 1 juni 2015, de datum waarop werknemer zich tot werkhervatting bereid verklaarde, is het hof van oordeel dat de in dit tijdvak bestaande onjuiste veronderstelling van werknemer omtrent de rechtsgeldigheid van het ontslag tijdens proeftijd voor risico van Nedec komt. Zij heeft die onjuiste veronderstelling immers gecreëerd door ten onrechte een proeftijdbeding op te nemen en zich daar vervolgens op te beroepen.

De kantonrechter mag op de voet van artikel 7:680a BW ambtshalve tot matiging overgaan (zie o.a. HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1532), maar daarvoor is wel vereist dat toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Grondslag moet naar het oordeel van het hof artikel 7:680a BW zijn (zie HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3782 met verwijzing naar o.a. HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1712), en niet het door de kantonrechter gehanteerde artikel 6:248 BW. Gelet op eerstgenoemd artikel is matiging tot minder dan drie maanden loon in geen geval mogelijk, zodat de door Nedec bepleite matiging tot 1 juni 2015 reeds daarom moet worden afgewezen. De eerste vraag moet echter zijn of toewijzing van de loonvordering tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Werknemer heeft terecht aangevoerd dat de kantonrechter er in zijn motivering onvoldoende blijk van heeft gegeven dat die vraag terughoudend getoetst moet worden. Dat toewijzing van de volledige loonvordering leidt tot een groot aantal maanden loon zonder dat daar arbeid van werknemer tegenover staat, zoals de kantonrechter heeft overwogen, is juist: het gaat dan om de periode van 12 mei 2015 tot 31 oktober 2015, dus ruim 5½ maand. Waarom die duur onaanvaardbaar is, is niet, althans onvoldoende toegelicht door Nedec. Daarbij weegt het hof mee dat Nedec al op 1 juni 2015 bekend was met het standpunt van werknemer over het ontslag, maar vervolgens pas op 1 september 2015 een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding bij de kantonrechter heeft ingediend.