Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 9 maart 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:2611
Autobedrijf Duindam Den Haag B.V./werknemer
Duindam verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer, voor zover die nog niet eerder rechtsgeldig is beëindigd, te ontbinden per zo vroegst mogelijke datum, zonder toekenning van een vergoeding, een en ander op de voet van artikel 7:685 (oud) BW. Duindam stelt daartoe dat op grond van het bepaalde in artikel XXVII lid 1 onderdeel b van het Overgangsrecht WWZ, ten aanzien van de vóór 1 juli 2015 geldende wettelijke regeling is bepaald dat deze van toepassing blijft op een opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan vóór 1 juli 2015 en op de gedingen die daarop betrekking hebben en dat daarom op onderhavig ontbindingsverzoek de oude wetgeving (van vóór 1 juli 2015) van toepassing is.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Onderhavig verzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 11 december 2015 en heeft betrekking op een dienstverband, waaraan op grond van een op 20 april 2015 tussen partijen tot stand gekomen beëindigingsovereenkomst per 1 juni 2015 een eind is gekomen. Werknemer heeft echter de nietigheid of de vernietiging van deze beëindigingsovereenkomst ingeroepen. Hierover is een aparte procedure aanhangig bij deze rechtbank. Naar het oordeel van de kantonrechter kan, gelet op hetgeen is opgenomen in de memorie van toelichting (Parlementaire Geschiedenis WWZ), een beëindiging van een arbeidsovereenkomst op grond van een tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst niet worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst en is de bij deze rechtbank aanhangige procedure in verband met de nietigheid of vernietigbaarheid van de beëindigingsovereenkomst niet een procedure die betrekking heeft op een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Nu Duindam ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft volhard in haar stelling dat het oude recht van vóór 1 juli 2015 op onderhavig verzoek van toepassing is en geen andere grondslag heeft aangevoerd, beroept Duindam zich in deze procedure derhalve op een bepaling die ten tijde van het indienen van het verzoekschrift op 11 december 2015 niet meer van toepassing was. Duindam wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek.