Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 11 maart 2016
ECLI:NL:RBGEL:2016:1446
Federatie Nederlandse Vakbeweging/werkgever
Werkgever drijft een onderneming die taxidiensten uitvoert door heel Nederland. Bij werkgever was het praktijk dat chauffeurs na hun dienst de taxi mee naar huis namen en de volgende dag vanaf huis hun dienst aanvingen. Voor die situatie geeft artikel 2.1.6 van de toepasselijke CAO Taxivervoer een regeling voor de betaling van woon-werkverkeer. Met ingang van 1 september 2015 heeft werkgever de zogenaamde stalplaatsregeling ingevoerd, inhoudende dat de chauffeurs de te gebruiken auto’s bij aanvang van de dienst ophalen bij het startpunt van de route en na afloop van de dienst daar (op de stalplaats) weer terugbrengen. FNV heeft vervolgens een (kort geding)procedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt tegen werkgever waarin zij een verbod heeft gevorderd om werknemers te verplichten om op eigen gelegenheid dan wel tegen betaling van een reiskostenvergoeding aan werkgever te reizen naar stalplaatsen en een gebod om ten aanzien van de medewerkers van werkgever toepassing te blijven geven aan het bepaalde in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen, waarna FNV hoger beroep heeft ingesteld. Om haar werknemers tegemoet te komen, heeft werkgever de stalplaatsregeling gewijzigd en de chauffeurs de auto’s weer laten gebruiken om vanuit huis naar het startpunt en vanuit het eindpunt weer terug naar huis te rijden, mits dat niet zou worden gezien als een in gezamenlijk overleg genomen besluit in de zin van artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer, maar als een reiskostenvergoeding in natura. Het gerechtshof heeft bij arrest van 9 februari 2016 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en werkgever geboden ten aanzien van haar medewerkers vanaf 1 september 2015, in de situatie dat de werknemers de auto na afloop van de dienst mee naar huis nemen, toepassing te (blijven) geven aan het bepaalde in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag en per keer dat werkgever niet aan het gebod zou voldoen, met een maximum van € 50.000. Na dat arrest heeft werkgever de regeling opnieuw gewijzigd en wederom de hiervoor beschreven stalplaatsregeling ingevoerd. FNV stelt zich in deze procedure vooral op het standpunt dat werkgever met die stalplaatsregeling het arrest van het hof niet naleeft. FNV vordert daarom dat de voorzieningenrechter bepaalt dat werkgever een hogere, aan FNV te betalen, dwangsom verbeurt van € 100.000 per dag en per keer dat werkgever binnen twee dagen na betekening van dit vonnis niet aan het gebod voldoet zoals dat aan haar is opgelegd in voornoemd arrest van het gerechtshof, met een maximum van € 5.000.000.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De vraag is thans of werkgever met de uitgevaardigde stalplaatsregeling - waarmee zij geen toepassing geeft aan het bepaalde in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer - het gebod zoals opgenomen in het dictum van het arrest van het hof van 9 februari 2016 (hierna: het dictum) overtreedt. In het dictum is werkgever geboden ten aanzien van haar medewerkers vanaf 1 september 2015, in de situatie dat de werknemers de auto na afloop van de dienst mee naar huis nemen, toepassing te (blijven) geven aan het bepaalde in artikel 2.1.6 van de CAO Taxivervoer. Strikt genomen betekent dit dat ingeval een werknemer een auto niet mee naar huis neemt het gebod niet wordt overtreden. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat uit het arrest van 9 februari 2016 niet kan worden afgeleid dat de stalplaatsregeling zoals die thans door werkgever is ingevoerd ook onder het gebod van het hof valt. In zoverre bestaat er dan ook geen reden om op dat gebod een hogere dwangsom te stellen. Dat een veel hogere dwangsom werkgever een effectieve prikkel tot naleving van het door het hof gegeven verbod zal opleveren is weinig aannemelijk. Wel is er gezien de financiële situatie van werkgever een gerede kans dat dit tot een faillissement zal leiden. Maar voor het bewerkstelligen van een faillissement is een dwangsom niet bedoeld. Volgt afwijzing van de vordering van FNV.