Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Haagse Wijk- en Woonzorg/werkneemster
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 25 maart 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:3202

Stichting Haagse Wijk- en Woonzorg/werkneemster

Kort geding. Verschillende visies over beleid zorgorganisatie staat goede samenwerking RvT en bestuurder in de weg. De onhoudbare situatie is mede gelegen in de persoon van bestuurder. Besluit tot op non-actiefstelling van bestuurder wordt voorshands rechtsgeldig geacht.

Stichting Haagse Wijk- en Woonzorg (hierna: HWW Zorg) is een wijkgerichte zorgorganisatie die in 2009 is opgericht. Bij HWW Zorg zijn ongeveer 2200 medewerkers werkzaam. HWW Zorg heeft twee organen: een raad van bestuur (RvB) en een raad van toezicht (RvT). Werkneemster is per 1 oktober 2011 benoemd tot voorzitter van de RvB van HWW Zorg en is met ingang van diezelfde datum bij HWW Zorg op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat HWW Zorg haar niet eerder zal schorsen dan nadat zij aanwijzingen heeft dat werkneemster een handeling heeft verricht of nagelaten die een dringende reden in de zin van artikel 7:677 en 7:678 BW kan opleveren. Wel kan HWW Zorg werkneemster op non-actief stellen indien daardoor aan een onhoudbare situatie een einde wordt gemaakt en de oorzaak van die onhoudbare situatie gelegen is in de persoon van werkneemster. De RvT heeft op 27 mei 2015 het besluit genomen de RvB uit te breiden naar een tweehoofdig bestuur. Tijdens een gesprek op 15 februari 2016 heeft de RvT het vertrouwen in werkneemster opgezegd. Bij brief van 17 februari 2016 heeft de RvT werkneemster het voornemen tot ontslag van haar als statutair bestuurder medegedeeld. Aanleiding hiervoor was een aantal kwesties die hebben gespeeld tussen de RvT en werkneemster, waaronder de negatieve opstelling van werkneemster over een meerhoofdig bestuur. Bij besluit van 29 februari 2016 heeft de RvT werkneemster geschorst/op non-actief gesteld als statutair bestuurder en haar medegedeeld dat zij niet zal worden toegelaten tot het werk. Bij besluit van 2 maart 2016 heeft de RvT werkneemster als statutair bestuurder ontslagen. Werkneemster vordert onder meer intrekking dan wel schorsing van het ontslagbesluit en schorsing dan wel opheffing van het besluit tot op non-actiefstelling van werkneemster als bestuurder. Het besluit tot op non-actiefstelling van 29 februari 2016 is volgens werkneemster onrechtmatig, omdat er geen sprake is van een dringende reden in de zin van de artikelen 7:677 en 7:678 BW. Werkneemster stelt voorts dat de RvT niet bevoegd is haar op non-actief te stellen en dat bovendien inhoudelijk niet voldaan is aan de vereiste voorwaarden.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In geschil is allereerst het besluit van de RvT van HWW Zorg van 29 februari 2016 waarbij werkneemster met onmiddellijke ingang als directeur/statutair bestuurder van HWW Zorg is geschorst/op non-actief is gesteld vanwege een met de RvT ontstane vertrouwensbreuk en een onhoudbare situatie binnen de RvB en de RvT van HWW Zorg en dat de oorzaak daarvan is gelegen in de persoon van de bestuurder. HWW Zorg heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag. Die situatie doet zich dan ook niet voor. Ook buiten een dringende reden als bedoeld in artikelen 7:677 en 7:678 BW is de RvT bevoegd een bestuurslid te schorsen, namelijk als hij een redelijke grond heeft tot schorsing van de bestuurder. HWW Zorg heeft in dit geval het besluit tot op non-actiefstelling van werkneemster gebaseerd op artikel 8.5 van de arbeidsovereenkomst. Naar voorlopig oordeel zijn de door de RvT genomen besluiten tot schorsing en op non-actiefstelling van werkneemster niet in strijd met de procedurele vereisten die voortvloeien uit de wet, de statuten en de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. HWW Zorg heeft vervolgens op 17 februari 2016 een voorgenomen besluit tot ontslag genomen en op 29 februari 2016 een definitief ontslagbesluit. Anders dan werkneemster betoogt, speelt ten aanzien van het stichtingsrechtelijk ontslagbesluit uitsluitend de toets op grond van artikel 2:8 BW. In de ontbindingsprocedure zal de kantonrechter moeten beoordelen of er voldoende grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst bestaat. In dit kort geding bestaat geen aanleiding op de uitkomst van die procedure vooruit te lopen. De RvT heeft in het besluit van 17 februari 2016 een aantal kwesties tussen de RvT en werkneemster aangehaald. Er moet - in het beperkte bestek van het kort geding - van worden uitgegaan dat werkneemster en de RvT een andere visie hebben over het te voeren beleid binnen HWW Zorg op verschillende terreinen, waarvan aannemelijk is dat dit in de weg staat aan een goede samenwerking tussen werkneemster en de RvT. Daarnaast is aannemelijk geworden dat werkneemster onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de RvT door zonder overleg met de RvT besluiten te nemen over diverse kwesties waarover de RvT in het kader van de zorgvuldigheid vooraf geïnformeerd had moeten worden. Voorts is voldoende aannemelijk dat de verhouding tussen partijen door de opstelling van werkneemster over de benoeming van een tweede bestuurder in februari 2016 is geëscaleerd en ertoe heeft geleid dat de RvT het vertrouwen in werkneemster heeft verloren. Gezien de taken en bevoegdheden van de RvB en de RvT binnen HWW Zorg, is voldoende aannemelijk dat de relatie tussen werkneemster en de RvT ernstig is verstoord. Gelet op de aard en de ernst van het voorgaande moet worden vastgesteld dat er sprake is van een onhoudbare situatie, waarvan niet verwacht wordt dat deze nog hersteld kan worden. Voorshands wordt geoordeeld dat de oorzaak van de onhoudbare situatie in ieder geval mede gelegen is in de persoon van werkneemster. De vordering tot intrekking van het ontslagbesluit is niet toewijsbaar, nu intrekking van een ontslagbesluit in kort geding zal leiden tot een declaratoire beslissing. Op grond van het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het besluit van de RvT tot op non-actiefstelling van werkneemster als statutair bestuurder van HWW Zorg niet rechtsgeldig is. De vordering wordt daarom afgewezen.