Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10 november 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:8434

werknemer/werkgever

Geen onrechtmatige concurrentie noch schending van artikel 7:611 BW door bemiddeling grote klant van ex-werkgever met leverancier van werkgever.

Ex-werknemer wordt beticht van onrechtmatige concurrentie door met in ieder geval een grote klant van ex-werkgever tegen vergoeding te hebben bemiddeld naar direct zaken doen met leverancier van goederen (die anders via werkgever liepen). Bij het arrest van 10 februari 2015 heeft het hof werkgever toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat werknemer A en B met elkaar in contact heeft gebracht, dat werknemer daarbij bedrijfsvertrouwelijke gegevens heeft prijsgegeven en dat werknemer daarvoor een (bemiddelings)vergoeding zou ontvangen. Werkgever heeft diverse getuigen laten horen waaruit het beeld ontstaat dat er contact is geweest tussen werknemer en A en B. Werknemer betwist niet dat er contact is geweest met A en/of B, maar wel dat hij opzettelijk zou hebben bemiddeld.

Het hof oordeelt als volgt. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat werknemer A met B in contact heeft gebracht, bedrijfsgevoelige gegevens heeft prijsgegeven en daarvoor wellicht een vergoeding zou ontvangen, maar die aanwijzingen leveren onvoldoende bewijs op dat dit daadwerkelijk het geval is geweest. Wel is komen vast te staan dat werknemer op een verzoek om hulp van B (de e-mailcorrespondentie van 30 juni 2009) bemiddelend heeft opgetreden. Nu het echter niet vaststaat dat werknemer dat contact tot stand heeft gebracht, dat hij voor zijn bemiddelende rol een vergoeding zou ontvangen en dat hij bedrijfsgevoelige gegevens heeft prijsgegeven, is de bemiddelende rol die hij wél heeft gespeeld onvoldoende voor het oordeel dat hij stelselmatig en substantieel het duurzame bedrijfsdebiet van werkgever heeft afgebroken. De conclusie is dan ook dat de grieven van werknemer slagen. In haar inleidende dagvaarding heeft werkgever haar vordering subsidiair op artikel 7:611 BW gebaseerd. Nu echter niet vast is komen te staan dat werknemer A en B ten eigen bate met elkaar in contact heeft gebracht, is er evenmin voldoende grond voor de conclusie dat hij uit hoofde van artikel 7:611 BW schadeplichtig is. De vorderingen van werkgever moeten dus worden afgewezen.