Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 30 maart 2016
ECLI:NL:RBZWB:2016:1838

werkgeefster/werkneemster

Ontbinding op basis van de ‘a-grond’ (vervallen arbeidsplaats) toegewezen. Geen passende functie beschikbaar. Werkgeefster voldoet niet aan voorwaarden ‘overbruggingsregeling transitievergoeding’. Interpretatie accountant van bedrijfsresultaten moet buiten toepassing gelaten worden. Cijfers zelf dienen voldoende inzicht te geven.

Werkneemster is op 14 augustus 2000 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) werkgeefster. De laatste functie die werkneemster vervulde is die van MT-lid. Bij besluit van 20 november 2015 heeft het UWV geweigerd de door werkgeefster aangevraagde toestemming te verlenen voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met werkneemster. Werkneemster stelt herplaatsbaar te zijn in verschillende functies waarvoor vacatures zijn. Door werkneemster niet te herplaatsen is volgens het UWV sprake van willekeur. Het ontbreekt het UWV aan objectieve, toetsbare criteria, zoals bijvoorbeeld de uitslag van een assessment, waarmee aannemelijk wordt gemaakt waarom werkneemster niet en anderen wel aan de functievereisten van de verschillende functies voldoen. Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW, kortweg vanwege het vervallen van een arbeidsplaats wegens bedrijfseconomische redenen. Werkgeefster is van oordeel dat het UWV de ontslagvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Ten aanzien van de transitievergoeding merkt werkgeefster op dat het UWV ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van de ‘overbruggingsregeling transitievergoeding.’ Het UWV heeft de verklaring van de accountant van 28 september 2015 niet in haar beoordeling betrokken, terwijl hieruit blijkt dat het (beperkte) positieve resultaat in 2014 dient te worden beschouwd als een negatief resultaat.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter is met het UWV van oordeel dat werkgeefster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, gelet op haar financiële situatie, de nodige aanpassingen in de organisatie(structuur) moest doorvoeren. De door werkgeefster naar voren gebrachte feiten en omstandigheden leveren aldus een redelijke grond op als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW. Werkneemster voert aan dat er twee passende functies beschikbaar zijn/waren bij werkgeefster. Ten aanzien van de eerste functie geldt dat werkgeefster onvoldoende weersproken heeft gesteld dat werkneemster niet aan de opleidingsvereisten voldoet die benodigd zijn voor die functies. Voorts is voldoende aannemelijk dat scholing binnen een redelijke termijn van vier maanden niet te behalen is. Daarmee heeft werkgeefster voldoende objectief onderbouwd dat werkneemster niet benoembaar is in de functie en het daarom geen passende functie voor haar is. Een assessment zou in die situatie geen verandering kunnen brengen. De functievereisten, de afgeronde master en een onderwijsbevoegdheid, zijn ‘harde’ functie-eisen, zo blijkt uit de functieomschrijving. Dat ligt anders bij het vereiste van ‘academisch werk- en denkniveau’ en leidinggevende capaciteiten, zoals deze elders in de functieomschrijving worden benoemd. Deze competenties kunnen doorgaans wel in een assessment worden beoordeeld. Met betrekking tot de tweede functie komt de kantonrechter tot de conclusie dat werkneemster zich thans niet langer op het standpunt stelt dat de functie passend is. De kantonrechter komt, anders dan het UWV, tot de conclusie dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werkneemster kan worden toegewezen.

Werkgeefster stelt voorts dat zij voldoet aan het bepaalde in artikel 7:673d BW, de overbruggingsregeling transitievergoeding. Deze regeling houdt - kort weergegeven - in dat, in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden, een werkgever met 25 werknemers of minder bij de berekening van de transitievergoeding voor wat betreft de duur van de arbeidsovereenkomst de maanden die gelegen zijn voor 1 mei 2013 buiten beschouwing kan laten. In de Ontslagregeling zijn nadere regels gesteld, waaronder de regel dat het netto resultaat van de onderneming van de werkgever over de drie aan het ontslag voorafgaande jaren kleiner moet zijn geweest dan nul. Vast staat dat werkgeefster in het boekjaar 2014 een positief resultaat heeft behaald. Werkgeefster stelt dat de accountant dit resultaat heeft toegelicht en dat daaruit blijkt dat het resultaat slechts te danken is aan één bijzondere financiële bijdrage vanuit de betrokken stichtingen waarmee het eigen vermogen van werkgeefster is aangevuld. Zonder die bijdrage zou blijken van een sterk negatief resultaat. De kantonrechter volgt het betoog niet. Een en ander zou met zich brengen dat niet de cijfers als zodanig voldoende inzicht moeten kunnen geven, maar - bijvoorbeeld - de interpretatie van de accountant over de bedrijfsresultaten. De Ontslagregeling geeft naar het oordeel van de kantonrechter geen ruimte voor een dergelijke alternatieve wijze van vaststellen van het bedrijfsresultaat over de drie aan het ontslag voorafgaande jaren. De verzochte verklaring wordt dan ook niet afgegeven. Voorts komt de kantonrechter tot de conclusie dat van ernstig verwijtbaar handelen van werkgeefster geen sprake is, waardoor aan werkneemster geen billijke vergoeding wordt toegekend.