Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 4 maart 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:2487
werknemer/Linde Gas Benelux B.V.
Werknemer is sinds 5 januari 1976 bij (een rechtsvoorganger van) Linde Gas Benelux B.V. (hierna: Linde Gas) in dienst, laatstelijk in de functie van Coördinator verpakkingsmiddelen onderhoud. In het voorjaar van 2013 kreeg de afdeling van werknemer de opdracht tot het laten verschroten van ongeveer 5000 afgekeurde acetyleencilinders. Deze opdracht is gegund aan Zemo V.O.F. Metaalrecycling & Metaalhandel (hierna: Zemo). Zemo heeft voornoemde opdracht laten uitvoeren door Groenleer Metaalrecycling B.V. (hierna: Groenleer). Voorafgaand aan de transporten van de acetyleencilinders naar Zemo heeft er geen audit plaatsgevonden, hetgeen wel voorgeschreven is. Op 23 januari 2014 is door Groenleer geconstateerd dat bij de verschroting van de acetyleenflessen asbest was vrijgekomen. Een en ander is bevestigd door het rapport van de Inspectie SZW d.d. 4 juni 2014. Medio mei 2014 is het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart. In het kader van dat onderzoek zijn onder meer Linde Gas en werknemer als verdachten aangemerkt. Bij brief van 24 december 2015 heeft Linde Gas, mede naar aanleiding van het eindproces-verbaal, werknemer op staande voet ontslagen. Aan het ontslag legt Linde Gas ten grondslag dat is vastgesteld dat werknemer zich ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met Zemo in augustus 2013 bewust was dat de aan Zemo aangeboden acetyleenflessen asbest konden bevatten. Ondanks de strikte verplichting hiertoe, heeft werknemer hiervan géén melding of een onvolledige melding gemaakt aan Zemo, Linde Gas en/of de Inspectie SZW. Hierdoor heeft werknemer rechtstreeks in strijd gehandeld met interne reglementen van Linde Gas en de relevante wet- en regelgeving. Werknemer heeft Linde Gas bewust misleid, althans bewust foutief geïnformeerd, aldus Linde Gas. Werknemer verzoekt onder meer het ontslag op staande voet te vernietigen. Linde Gas verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover wordt vastgesteld dat deze nog bestaat, voorwaardelijk te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen van werknemer.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Noch uit de overgelegde stukken noch uit de stellingen van partijen blijkt dat bij werknemer sprake is geweest van het welbewust achterhouden van informatie over de mogelijke aanwezigheid van asbest en/of andere gevaarlijke stoffen in de cilinders die aan Zemo zijn aangeboden. Tevens is van het in strijd handelen met interne reglementen en wet- en regelgeving niet gebleken. Gebleken is dat de opdracht aan Zemo vooral te maken had met het feit dat Linde Gas Benelux voor het einde van het jaar 2013 nog van 5000 acetyleenflessen af wilde. De kantonrechter kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de snelheid waarmee deze opdracht kennelijk nog in het boekjaar 2013 (vanwege budgettaire redenen) moest worden afgerond, mede heeft bijgedragen aan de situatie waarmee Linde Gas Benelux in januari 2014 geconfronteerd werd. Voor deze situatie kan werknemer echter niet verantwoordelijk worden gehouden, althans niet op de wijze waarop dat op 24 december 2015 is gebeurd. Gelet op het voorgaande wordt de verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet toegewezen.
Van verwijtbaar handelen door werknemer is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen is overwogen ten aanzien van het ontslag op staande voet, omdat daar exact dezelfde feiten en omstandigheden aan ten grondslag zijn gelegd als aan het voorwaardelijk ontbindingsverzoek. Een en ander leidt tot de conclusie dat van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen sprake is. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.