Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Zorggroep Almere
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 31 maart 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:1803

werkneemster/Stichting Zorggroep Almere

Verzoeken werkneemster ex artikel 7:681 BW en 7:682 BW zijn, hoe uiterst minimaal ook, te laat ingediend (art. 7:686a BW). Kern vervaltermijn is dat deze fataal is en niet kan worden gestuit of verlengd. Werkneemster in die verzoeken niet-ontvankelijk.

Werkneemster was vanaf 9 januari 2014 werkzaam bij Stichting Zorggroep Almere in de functie van restaurantmedewerker. Stichting Zorggroep Almere heeft toestemming van het UWV verkregen om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te mogen zeggen vanwege het verval van de functie van werkneemster. De arbeidsovereenkomst met werkneemster is door Stichting Zorggroep Almere opgezegd per 1 november 2015. Werkneemster verzoekt de kantonrechter om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en Stichting Zorggroep Almere te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst, dan wel aan haar ten laste van Stichting Zorggroep Almere de transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit artikel 7:686a lid 4 onderdeel a onder 2 BW volgt dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van artikel 7:681 lid 1 onderdeel b BW dan wel 7:682 BW betreft. De kantonrechter overweegt dat de arbeidsovereenkomst op 31 oktober 2015 is geëindigd. De uitleg die werkneemster aan de brief geeft, namelijk dat de laatste dag van de arbeidsovereenkomst 1 november 2015 was, volgt de kantonrechter niet. Dat het UWV 2 november 2015 als eerste werkloosheidsdag hanteert leidt niet tot een ander oordeel. Dat betekent dat werkneemster haar verzoeken ex artikel 7:681 lid 1 onderdeel b BW dan wel ex artikel 7:682 BW tot en met 31 december 2015 kon indienen. Verzendingen die vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend (art. 33 Rv). Het verzoek tot vernietiging van de opzegging ex artikel 7:681 BW en het subsidiaire verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW heeft werkneemster ingediend bij het (eerste) verzoekschrift dat de griffie van de rechtbank op 1 januari 2016 om 00.00 uur heeft ontvangen. Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:682 BW heeft werkneemster ingesteld bij het aangepaste verzoekschrift dat de griffie van de rechtbank op 4 januari 2016 heeft ontvangen. De verzoeken zijn derhalve, hoe uiterst minimaal ook, te laat ingediend. De kern van een vervaltermijn is dat deze fataal is en niet kan worden gestuit of verlengd. Overschrijding van de termijn resulteert in verval van recht. Werkneemster zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft deze verzoeken. De kantonrechter stelt vast dat werkneemster haar verzoek tot toekenning van een transitievergoeding gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijn van drie maanden wel tijdig heeft ingediend. Werkneemster heeft ter zitting erkend dat, nu zij van Stichting Zorggroep Almere ingevolge de op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao een suppletie op haar uitkering ontvangt, Stichting Zorggroep Almere de transitievergoeding niet is verschuldigd. Het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding zal dan ook worden afgewezen.