Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 maart 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:1957
werknemer/Kleinbus- en Taxibedrijf Makenbach B.V.
Werknemer is op 1 juni 2009 bij Kleinbus- en Taxibedrijf Makenbach B.V. (hierna: Makenbach) in dienst getreden als chauffeur. Per september 2015 heeft Makenbach twee opdrachtgevers verloren. De arbeidsovereenkomsten met ongeveer 80 medewerkers zijn daarop beëindigd. Een aantal chauffeurs is herplaatst bij het bedrijf dat de opdracht van de twee opdrachtgevers had verworven. Makenbach heeft ook werknemer aangeboden hem te (trachten te) herplaatsen bij het verwervende bedrijf, hetgeen door werknemer is geweigerd. Als alternatieve werkzaamheden heeft Makenbach werknemer verzocht bij het onderhoud van de bussen te assisteren. Sindsdien verricht werknemer schoonmaakwerkzaamheden aan de bussen. Bij brief van 2 oktober 2015 heeft Makenbach bevestigd dat werknemer op staande voet is ontslagen. De ontslagbrief stelt dat twee medewerkers van Makenbach in een gesprek op 1 oktober 2015 door werknemer in ernstig bedreigende taal zijn aangesproken. Werknemer zou meerdere keren gedreigd hebben met de uitlating ‘ik kom je nog wel een keer tegen op een nog onbekende plek goedschiks of kwaadschiks’. Een en ander levert volgens Makenbach een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Bij dagvaarding van 30 november 2015 heeft werknemer Makenbach voor de kantonrechter te Amsterdam in kort geding gedagvaard en gesteld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Bij vonnis van 17 december 2015 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het verzoek van werknemer tot ‘spoorwisselen’ ex artikel 69 Rv niet toewijsbaar is en de vordering van werknemer is afgewezen, aangezien het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet niet binnen twee maanden was gedaan, zoals artikel 7:686a BW voorschrijft. Werknemer heeft tegen dit vonnis hoger beroep bij het gerechtshof te Amsterdam ingesteld, welke procedure thans nog loopt. Werknemer verzoekt - voor het geval er geen sprake mocht zijn van een nietig ontslag c.q. vernietigbaarheid van de opzegging - voldoening van de verschuldigde transitievergoeding. Daarnaast verzoekt werknemer hem een billijke vergoeding toe te kennen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Naar de kantonrechter heeft begrepen dient het verzoek van werknemer aldus te worden verstaan dat voor het geval dat het gerechtshof het hoger beroep van werknemer niet honoreert, althans op enig moment wordt beslist dat het verleende ontslag op staande voet in rechte niet (meer) kan worden aangetast, wordt beoordeeld of hij recht heeft op uitbetaling van een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding. Werknemer kan in zijn verzoek worden ontvangen. Immers, waar bij vonnis rechten onder een voorwaarde kunnen worden toegekend en ook arbeidsovereenkomsten ‘voorwaardelijk’ kunnen worden ontbonden, kan werknemer ook voorwaardelijk veroordeling van Makenbach vragen tot betaling van de transitievergoeding. De voorwaarde van werknemer is duidelijk en staat een eventuele executie te zijner tijd niet in de weg. Beoordeeld dient te worden of in dit geval sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, waardoor het recht op de transitievergoeding is komen te vervallen. De kantonrechter acht dat niet het geval. Zij overweegt daartoe dat thans (nog) niet vaststaat dat werknemer zich daadwerkelijk bedreigend jegens zijn collega’s heeft uitgelaten, terwijl die uitlatingen niet los kunnen worden gezien van de overige feiten en omstandigheden van het geval. Daaronder valt onder meer het feit dat Makenbach meerdere keren getracht heeft het dienstverband met werknemer te beëindigen, dat zij werknemer te werk heeft gesteld in een lager gekwalificeerde functie en dat werknemer in de overtuiging verkeerde dat Makenbach hem tot tweemaal toe een eindafrekening had gestuurd, waardoor hij meende alsnog ontslagen te zijn. Daarvan is werknemer - begrijpelijkerwijs - ernstig overstuur geraakt. Werknemer heeft de transitievergoeding berekend op het bedrag van € 2.453,84 bruto. Daartegen heeft Makenbach geen bezwaar geuit, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Werknemer heeft voor zijn verzoek om een billijke vergoeding verwezen naar artikel 7:686a BW. Nog daargelaten de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Makenbach, geldt dat artikel 7:686a BW geen zelfstandig recht biedt op een billijke vergoeding. Ook in de door werknemer aangehaalde uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2015:7121) is die grondslag niet aangenomen. Voor zover werknemer heeft bedoeld te verwijzen naar artikel 7:681 BW geldt dat hij het verzoek niet tijdig heeft gedaan. Het verzoek om een billijke vergoeding wordt dan ook reeds hierom afgewezen.