Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 april 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:2751
werknemer/De Hofnar Harlingen BV
Werknemer is sinds 9 maart 2007 in dienst bij De Hofnar Harlingen BV (hierna: Hofnar). In eerste aanleg is de ontbinding uitgesproken van de arbeidsovereenkomst met werknemer, zonder toekenning van een vergoeding aan de werknemer. Werknemer komt tegen dit vonnis in hoger beroep. Hij legt aan zijn appel ten grondslag dat de kantonrechter bij het nemen van zijn beslissing is getreden buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW en dat de kantonrechter fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden.
Het hof oordeelt als volgt. Volgens werknemer heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een aantal cruciale onderdelen van de vaststellingsovereenkomst die strekt tot beëindiging met wederzijds goedvinden van het dienstverband van werknemer bij Hofnar per 1 januari 2015. Indien evident zou zijn dat het dienstverband tussen werknemer en Hofnar ten tijde van de bestreden beslissing niet meer zou bestaan, zou de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW zijn getreden. Een dergelijke situatie doet zich hier echter niet voor. Uit de gedingstukken blijkt dat tussen werknemer en Hofnar onenigheid bestond over de uitkomst van de tweede mediation. Hofnar heeft er geen misverstand over laten bestaan dat zij vond dat de mediation niet gelukt was en dat het dienstverband ook na 1 januari 2015 voortduurde. Werknemer heeft dit ook zo begrepen en Hofnar heeft gehandeld - getuige haar herhaalde oproepen aan het adres van werknemer om te komen praten over de re-integratie - in overeenstemming met haar in de correspondentie uiteengezette opvattingen. Werknemer volhardt echter in zijn mening dat tussen partijen overeenstemming bestond over de inhoud van een op 14 oktober 2014 mondeling gesloten vaststellingsovereenkomst. Een geding over een ontbindingsverzoek ex artikel 7:685 BW is echter niet de geëigende procedure om het geschil tussen partijen te beslechten over de vraag of er wel of niet mondeling een gave vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen is, en dat geldt ook voor de, in hoger beroep ingenomen, subsidiaire stelling dat de onderhandelingen zo ver waren gevorderd dat Hofnar deze niet meer mocht afbreken. De kantonrechter heeft niet miskend dat partijen twisten over het antwoord op de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Hofnar na 1 januari 2015 nog bestond. De kantonrechter heeft echter als zijn kennelijke oordeel gegeven dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat het dienstverband van werknemer per 1 januari 2015 is geëindigd. In dit verband heeft de kantonrechter op goede gronden overwogen dat de aard van de ontbindingsprocedure, die is gericht op een spoedige beslissing, zich niet leent voor (uitvoerige) bewijslevering. Een situatie waarin het appelverbod wordt doorbroken omdat buiten het toepassingsgebied van artikel 7:685 BW is getreden, doet zich - gelet op vorenstaande overwegingen - in het onderhavige geval dan ook niet voor. Werknemer stelt voorts dat de bestreden beschikking om twee redenen schending van fundamentele rechtsbeginselen oplevert. Ten eerste omdat uit de beschikking niet blijkt dat het ontbindingsverzoek van Hofnar voorwaardelijk was. Volgens werknemer levert dit strijd op met het beginsel van rechtszekerheid. Ten tweede stelt hij dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat werknemer op 1 januari 2015 arbeidsgeschikt was. Doordat de kantonrechter bij zijn beschikking van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgaan, is volgens werknemer geen sprake van een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak. Deze stellingen zijn in essentie motiveringsklachten die niet tot doorbreking van het appelverbod kunnen leiden. De slotsom luidt dat geen sprake is van een doorbrekingsgrond, zodat aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beschikking niet kan worden toegekomen en het hoger beroep zal worden verworpen.