Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 5 april 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:2843
werkneemster/Tenera B.V.
Werkneemster heeft op 9 januari 2006 de eenmanszaak Particuliere Thuiszorg Tenera opgericht. De onderneming is per 18 april 2007 voortgezet als besloten vennootschap met de naam Tenera B.V. (hierna: Tenera). Werkneemster en haar broer (hierna: X) zijn beiden voor 50% aandeelhouder en X is tevens statutair bestuurder. Vanaf omstreeks juli 2015 verslechtert de relatie tussen werkneemster en X. Op 11 januari 2016 heeft Tenera voor werkneemster een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV. In een gesprek van 12 januari 2016 heeft X aan werkneemster een beëindigingsovereenkomst voorgelegd. Werkneemster heeft voornoemde overeenkomst niet getekend. Vervolgens heeft X aan werkneemster medegedeeld dat zij haar werktelefoons en sleutels van het kantoor moest inleveren en dat zij niet meer op het werk hoefde te verschijnen. Bij brief van 4 februari 2016 is werkneemster op staande voet ontslagen. Daarbij is als dringende reden voor dat ontslag onder meer medegedeeld dat werkneemster tijdens het dienstverband een concurrerende onderneming - Florencia Zorg - is gestart met gebruikmaking van haar kennis en netwerk, dat werkneemster actief medewerkers heeft benaderd en onder druk heeft gezet om over te stappen naar Florencia Zorg en dat zij één opdrachtgever van Tenera heeft benaderd met een aanbieding om als klant over te stappen naar Florencia Zorg. Werkneemster verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen. Tenera verzoekt in het tegenverzoek onder meer, voor zover de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog mocht bestaan, de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden en daarbij te bepalen dat geen rekening wordt gehouden met de opzegtermijn van werkneemster en dat zij geen recht heeft op een transitievergoeding. Aan het verzoek om ontbinding legt Tenera onder meer ten grondslag dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Volgens werkneemster is Tenera bij ontbinding een billijke vergoeding verschuldigd.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat de echtgenoot van werkneemster op 18 januari 2016 de onderneming Florencia Zorg heeft opgericht. Ook staat vast dat Florencia Zorg een concurrerende onderneming is. Verder is voldoende gebleken dat werkneemster al vanaf januari 2016 werkzaam is voor Florencia Zorg. In dit geval levert de omstandigheid dat werkneemster werkzaamheden heeft verricht voor Florencia Zorg geen dringende reden op. Daarbij is van belang dat voldoende vaststaat dat werkneemster aanvankelijk in de veronderstelling verkeerde dat zij op 12 januari 2016 door Tenera was ontslagen, nadat zij had geweigerd een beëindigingsovereenkomst te ondertekenen en dat zij er dus van uitging dat zij haar baan kwijt was. Verder is werkneemster in januari 2016 ter kennis gekomen dat Tenera een ontslagaanvraag bij het UWV had ingediend, waarbij Tenera stelde dat de functie van werkneemster was opgeheven. Onder die omstandigheden valt te begrijpen dat zij in januari 2016 heeft gezocht naar mogelijkheden om inkomen te verkrijgen. Uitgaande van de veronderstelling dat sprake was van ontslag, stond het werkneemster in beginsel ook vrij om na 12 januari 2016 te gaan werken voor Florencia Zorg, omdat geen sprake is van een concurrentie- of relatiebeding in de arbeidsovereenkomst met Tenera. Het bovenstaande brengt mee dat Tenera zelf op en na 12 januari 2016 mede een situatie in het leven heeft geroepen waardoor werkneemster zich begrijpelijkerwijs genoodzaakt en vrij voelde om voor Florencia Zorg werkzaamheden te gaan verrichten. Onder dergelijke omstandigheden is het verrichten van die werkzaamheden niet van een zodanige aard en ernst dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Mede op grond van het voorgaande volgt vernietiging van het ontslag op staande voet.
De kantonrechter constateert dat inmiddels sprake is van een zodanig ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding dat van Tenera in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst wordt met toepassing van de ‘g-grond’ onvoorwaardelijk ontbonden. Niet kan worden geoordeeld dat de verstoring van de arbeidsverhouding het gevolg is van handelen of nalaten van werkneemster dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. De kantonrechter ziet dan ook geen reden om de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, zonder rekening te houden met de opzegtermijn. Het voorgaande betekent ook dat Tenera de transitievergoeding verschuldigd is. Voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8 onderdeel c BW ziet de kantonrechter onvoldoende reden. De enkele omstandigheid dat eerder sprake is geweest van een (ongeldig) ontslag op staande voet leidt - anders dan bij artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW - niet zonder meer tot de conclusie dat de daarop volgende ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het ontslag is een van de omstandigheden die bij die beoordeling een rol kan spelen. Voor zover het (ongeldige) ontslag op staande voet heeft bijgedragen aan de verstoring van de arbeidsverhouding, is dat ontslag daarom niet een zodanig vergaande schending van goed werkgeverschap dat om die reden geoordeeld moet worden dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Tenera in de zin van artikel 7:671b lid 8 onderdeel c BW. De billijke vergoeding is door Tenera niet verschuldigd.