Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 februari 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:1966

werknemer/werkgeefster

ROC aansprakelijk voor schade docent als gevolg van val tijdens schaatsen. Buitenschoolse schaatsactiviteit met studenten valt onder de uitoefening van de werkzaamheden. Geen huis-, tuin- en keukenongeval. Met enkele instructie omtrent gebruik van handschoenen, is niet aan zorgplicht voldaan.

Werknemer is in de functie van mentor/loopbaanbegeleider en docent werkzaam bij ROC. Werknemer was, net als een aantal andere docenten en collega’s van de Sportdesk, op maandag 23 januari 2012 aanwezig bij een schaatsactiviteit. Tijdens het schaatsen is werknemer ten val gekomen, waarbij hij met zijn hoofd op het ijs terecht is gekomen. Hij heeft daarbij een postcommotioneel syndroom opgelopen. Werknemer is in januari 2015 in het kader van de WIA 79% arbeidsongeschikt geacht. Werknemer stelt ROC ex artikel 7:658 BW aansprakelijk voor zijn schade.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat werknemer op 23 januari 2012 tijdens de schaatsactiviteit ten val is gekomen en dat daarbij letsel is ontstaan. ROC is evenwel van mening dat het schaatsen niet aangemerkt kan worden als het verrichten van arbeid in de zin van artikel 7:658 BW, zodat tijdens het schaatsen op ROC jegens werknemer geen zorgplicht rustte. Dit verweer faalt. Het als docent (mentor/loopbaanbegeleider) begeleiden van studenten naar en bij een (schaats)activiteit die plaatsvindt tijdens reguliere lestijden en deel uitmaakt van de lesverplichtingen van de studenten kan voor een docent - en zeker voor een mentor/loopbaanbegeleider die zijn klas bij een dergelijke activiteit begeleidt - bezwaarlijk anders worden geduid dan het uitoefenen van zijn werkzaamheden. De kantonrechter wijst op het feit dat het bij onderwijsinstellingen gebruikelijk is dat naast de reguliere lessen ook verschillende ‘buitenschoolse’ activiteiten plaatsvinden die tot het lesprogramma behoren en als zodanig ook in beginsel verplicht zijn voor de studenten. Dat was in elk geval zo in het onderhavige geval. Het begeleiden van het schaatsen moet worden beschouwd als het verrichten van arbeid. Anders dan ROC betoogt, geldt dit ook voor de actieve deelname door werknemer aan het schaatsen zelf. Dat een actieve deelname voor docenten niet verplicht was, zoals ROC aanvoert, kan niet tot de conclusie leiden dat het deelnemen aan het schaatsen om die reden niet geschaard moet worden onder het uitoefenen van werkzaamheden. Het door ROC in het kader van de bewoordingen ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ in artikel 7:658 lid 2 BW gemaakte onderscheid tussen het begeleiden van de activiteit en een actieve deelname aan de activiteit, is in dit geval irrelevant.

Anders dan ROC beschouwt de kantonrechter de val van werknemer tijdens de schaatsactiviteit niet als een zogenoemd ‘huis-, tuin- en keukenongeval’ die buiten de reikwijdte van de zorgplicht van ROC valt. Het is juist dat van een werknemer voorzichtigheid mag worden verlangd in min of meer dagelijks voorkomende situaties die een beperkt risico inhouden. Dat geldt ook in situaties waarvan niet gezegd kan worden dat ze specifiek werkgerelateerd zijn, doordat ze zich niet wezenlijk onderscheiden van situaties die zich in het normale dagelijks leven veelvuldig voordoen. Ook bij relatief eenvoudige handelingen in het dagelijkse leven is immers niet elk risico uit te sluiten. Schaatsen valt niet onder dergelijke situaties. Een alledaagse activiteit is schaatsen, ook in Nederland, niet te noemen. Daargelaten of schaatsen een gevaarlijke activiteit is, van een beperkt risico op valpartijen en/of letsel is, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, in elk geval geen sprake. IJs is nu eenmaal glad en hard, schaatsen is niet voor iedereen even gemakkelijk en valpartijen op het ijs leiden met grote regelmaat tot botbreuken of ander letsel. Enerzijds leidt dit tot de vaststelling dat aan een zorg- of waarschuwingsplicht van ROC jegens werknemer - die hiermee ook bekend mag worden verondersteld - geen vergaande eisen hoeven te worden gesteld. Anderzijds betekent dit dat op ROC wel degelijk een dergelijke zorgplicht rustte. Zij kon en mocht er niet van uitgaan dat iedere begeleidende docent zich op het ijs zou kunnen redden, ook niet indien er (al dan niet beperkte) ervaring met schaatsen was. De enkele instructie die ROC, volgens haar eigen stellingen, heeft verstrekt is het gebruik van handschoenen, aan zowel studenten als docenten. Hiermee heeft ROC niet aan de zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW voldaan. Het had in elk geval op de weg van het ROC gelegen de docenten voor te houden dat zij niet verplicht waren zelf ook het ijs op te gaan en dat zij ook zouden kunnen toezien en aanmoedigen vanaf de zijlijn. ROC had verder kunnen aangeven dat indien men toch wilde schaatsen (en niet of niet goed kon schaatsen) men voorzichtig zou moeten doen, eventueel een helm en/of andere lichaamsbescherming zou kunnen huren of gebruiken en/of gebruik moest maken van de reling die op de ijsbaan is aangebracht. ROC is aansprakelijk en de gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.