Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 12 april 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:2895
werkneemster/WWplus B.V.
Werkneemster is per 3 mei 2004 werkloos geworden als gevolg van een reorganisatie en heeft vanaf die datum een WW-uitkering gekregen voor de duur van drie jaar, waarna zij tot 17 november 2013 recht zou hebben op een aansluitende uitkering op basis van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Beroepsonderwijs en Volwasseneducatie (hierna: BWR). Bij besluit van 16 mei 2011 is de einddatum van de BWR bepaald op 26 augustus 2014. Werkneemster heeft van 31 mei 2010 tot 1 mei 2011 werkzaamheden verricht in Angola. De maand mei 2011 verbleef zij in Nederland. Daarna was zij wederom werkzaam in Angola van 1 juni 2011 tot 1 januari 2013. Na terugkeer in Nederland heeft werkneemster van Loyalis (op basis van een vrijwillige verzekering) een WW-uitkering ontvangen gedurende de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2013. Werkneemster vordert veroordeling van WWplus tot het betalen van al dan niet een voorschot op de in de bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding wegens wanprestatie, dan wel toe te wijzen veroordeling tot nakoming van de BWR BVE-regeling door betaling van de aansluitende en bovenwettelijke uitkering van 70% van het brutoloon vanaf 26 augustus 2014 tot en met 26 februari 2017. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis komt werkneemster in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Werkneemster betoogt onder meer dat niet artikel 21 lid 3 WW, maar artikel 21 lid 1 WW op haar situatie van toepassing is. Haar uitkering is geëindigd als gevolg van haar werkzaamheden als zelfstandige in Angola zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 WW, en die werkzaamheden zijn volledig beëindigd binnen de uitkeringsduur, waardoor een ruimere herlevingsperiode geldt dan de 6 maanden van artikel 21 lid 3 WW. Het hof constateert dat de BWR niet bepaalt dat artikel 8 WW van overeenkomstige toepassing is. Voor zover dat artikel via de band van het, wel van overeenkomstige toepassing verklaarde, eerste lid van artikel 21 WW opgeld doet, dient aan de voorwaarden van laatstgenoemd artikel te zijn voldaan, te weten dat de uitkering is geëindigd op grond van artikel 20 lid 1 WW, onderdeel a of c en dat heeft werkneemster niet gemotiveerd gesteld. Voorts voert werkneemster aan dat haar verblijf buiten Nederland niet valt onder artikel 19 lid 1 onderdeel e WW, waarbij een korte termijn van 6 maanden geldt voor herleving van het recht op uitkering. Haar gezin is tijdens haar werkzaamheden in Nederland gebleven en daarmee is Nederland haar woonplaats gebleven. Wat daarvan ook zij, werkneemster maakt niet duidelijk welke andere dan de hiervoor reeds verworpen herlevingsgrond dan van toepassing zou zijn. Werkneemster heeft er nog op gewezen dat WWplus zelf heeft aangegeven dat de doelstelling van de BWR is een vangnet te creëren voor werkloze werknemers en re-integratie te bevorderen, waarbij werkaanvaarding niet tot financieel nadelige gevolgen mag leiden. Dat mag zo zijn, maar daarmee is niet gegeven dat de regels van de BWR voor deze doelstelling dienen te wijken. Werkneemster keert zich tegen de afwijzing van haar beroep op een toezegging van opschorting van de einddatum van haar aansluitende uitkering voor de duur van haar werkzaamheden in Angola. In de beslissing van 13 mei 2014 kan echter niet de door werkneemster bedoelde toezegging worden gelezen, maar slechts de constatering dat de einddatum van die uitkering 26 augustus 2014 is. Herleving is voorts, zoals uit de BWR volgt, aan nadere regels gebonden. Werkneemster heeft niets aangevoerd waaruit moet volgen dat haar een ongeclausuleerde herleving is toegezegd. Dat volgt ook niet uit de beslissing van 27 november 2014, waarin WWplus het beroep van werkneemster op een toegezegde opschorting van 30 maanden afwijst met de opmerking dat er al voor een langere periode is opgeschort.