Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 21 april 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:4655
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen/werknemer
Werknemer is sinds 1 november 1989 in dienst van (de rechtsvoorganger van) UWV, laatstelijk in de functie van verzekeringsarts. UWV verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW (verstoorde arbeidsverhouding). Aan het verzoek heeft UWV ten grondslag gelegd dat sprake is van een hardnekkige alcoholverslaving, die het functioneren van werknemer reeds vanaf eind 2012 in belangrijke mate beïnvloedt. Aangevoerd wordt dat werknemer geregeld niet op het werk is verschenen en stelselmatig werk- en controleafspraken niet nakomt. UWV stelt werknemer intensief te hebben begeleid en hulp te hebben geboden bij het oplossen van zijn verslavingsproblematiek. UWV stelt dat het verzoek geen verband houdt met het opzegverbod nu het verzoek is ingegeven door het stelselmatig schenden van afspraken en als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan. Het verweer van werknemer strekt tot afwijzing van het verzoek. Hij voert aan dat het opzegverbod tijdens ziekte aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Daarnaast betwist werknemer dat sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat (alcohol)verslaving als ziekte kan worden aangemerkt. Vastgesteld wordt dat werknemer veelvuldig afwezig is geweest. Ofwel in verband met intensieve behandelingen van zijn alcoholverslaving in (ten minste) een drietal gespecialiseerde instellingen, ofwel in verband met andere redenen van afwezigheid (in een aantal gevallen van langere duur). Werknemer heeft toegegeven dat een aantal redenen van afwezigheid verzonnen waren om zijn alcoholverslaving te verbloemen. De huidige periode van arbeidsongeschiktheid is begonnen op 6 juli 2015 en duidelijk is dat werknemer kort daarna voor een periode van meer dan twee maanden opgenomen is geweest in een verslavingskliniek. Zijn ziekte en huidige (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid houden derhalve verband met zijn verslaving, waarvan hij nu binnenkort volledig hoopt te herstellen. Weliswaar kampt werknemer al geruime tijd, al enige jaren, met een alcoholverslaving, maar niet is gebleken dat werknemer op enig moment een behandeling van die verslaving heeft tegengewerkt. Telkens indien er sprake was van een terugval heeft werknemer zich juist weer, ook buiten UWV om, onder behandeling laten stellen en aan die behandeling meegewerkt. Ook wat betreft zijn huidige behandeling is dat het geval. Daarbij komt nog dat een terugval telkens verband lijkt te houden met het optreden van depressieve klachten bij hem. In de onderhavige procedure is naar voren gekomen dat de door UWV gestelde verstoorde arbeidsverhouding uitsluitend te maken heeft met de veelvuldige afwezigheid van werknemer in verband met zijn verslaving en het feit dat hij bij kortdurende afwezigheid onjuiste redenen voor zijn afwezigheid heeft opgegeven. Het verzoek houdt geen verband met zijn functioneren als verzekeringsarts, omdat uit de verschillende overgelegde functioneringsgespreksverslagen blijkt dat hij als verzekeringsarts goed functioneert. De ‘reflexwerking’ (art. 7:671b lid 6 aanhef en onderdeel a BW) van het opzegverbod (art. 7:670 BW) staat in dit geval aan de ontbinding in de weg: het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.