Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 25 april 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:2362
Matrans Marine Services B.V./FNV c.s.
Sinds 2009 voeren Matrans Marine Services B.V. (hierna: MMS) aan werkgeverszijde en FNV en CNV aan werknemerszijde collectief overleg over de arbeidsvoorwaarden van de medewerkers in dienst van MMS. Van de door partijen in dat kader gesloten MMS-CAO 2009-2012 maakt een bijlage deel uit. In die bijlage staat de (oude) wettelijke ketenregeling opgenomen. Nadat de looptijd van de MMS-CAO 2009-2012 was verstreken, zijn MMS en FNV met elkaar in overleg getreden over (de inhoud van) een nieuwe cao. MMS en FNV hebben overeenstemming bereikt over de tekst van de CAO-MMS 2012-2017 (hierna: de cao), alsmede over de gewijzigde tekst van de bijlage. In de bijlage is de op 1 juli 2015 in werking getreden wettelijke ketenregeling opgenomen. Op 9 juli 2015 hebben MMS, FNV en CNV de cao getekend. Bij e-mail van 1 februari 2016 heeft een 15-tal werknemers van MMS een beroep gedaan op de bijlage van de cao. Deze werknemers zijn inmiddels langer dan 24 maanden in dienst (geweest) van MMS en stellen zich met het oog op de terugwerkende kracht van de cao (tot 1 oktober 2012) op het standpunt dat hun laatste, voor bepaalde tijd gesloten, arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. MMS vordert thans dat FNV en CNV worden veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan de wijziging van de tekst van de cao. MMS stelt zich op het standpunt dat de gewijzigde tekst van de bijlage niet strookt met de bedoeling die cao-partijen daarmee hadden. Die bedoeling was, zo stelt MMS, om vanaf 1 juli 2015 aan te sluiten bij de per die datum verscherpte wettelijke ketenregeling, maar niet om aan tijdelijke arbeidskrachten rechten te verlenen die zij op grond van de tot 1 juli 2015 gegolden hebbende tekst van artikel 7:668a lid 1 (oud) BW niet hadden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. MMS heeft haar vordering onder meer gebaseerd op het bepaalde in de artikelen 3, 4 en 5 van de cao. De regeling in voornoemde cao-artikelen heeft de kennelijke strekking om cao-partijen de mogelijkheid te bieden te reageren op bijzondere omstandigheden die zich tijdens de looptijd van de cao voordoen en door hen bij het sluiten van de cao niet zijn voorzien. De per 1 juli 2015 gewijzigde ketenregeling is niet zo’n omstandigheid, omdat die wetswijziging tijdens het redactieoverleg onder ogen is gezien en juist de reden vormde voor de wijziging van de tekst van de bijlage. MMS heeft haar vordering voorts gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid, als bedoeld in artikel 6:2 lid 1 BW. De kantonrechter houdt het er voorshands voor dat cao-partijen, niet alleen MMS maar ook FNV en CNV, met de wijziging van de bijlage niet anders tot uitdrukking hebben willen brengen dan dat ook vanaf 1 oktober 2012 - net als voordien - niet van de wettelijke ketenregeling wordt afgeweken, en dat cao-partijen zich niet hebben gerealiseerd dat de gewijzigde tekst, gelezen in samenhang met de terugwerkende kracht van de cao, door werknemers anders zou kunnen worden begrepen. MMS heeft er daarom belang bij dat de tekst van de bijlage in overeenstemming wordt gebracht met de bedoeling die cao-partijen daarmee hadden. De vordering is niet toewijsbaar in de zin dat de vakbonden kunnen worden veroordeeld een cao-wijziging door te voeren buiten hun betrokken leden om. Anders dan MMS stelt, gaat het - zeker voor de betrokken groep van tijdelijke arbeidskrachten - om een zodanig ingrijpende wijziging dat FNV en CNV, als verenigingen van werknemers, daarvoor een ledenraadpleging dienen te kunnen houden. Het voorgaande leidt ertoe dat FNV en CNV worden veroordeeld om met MMS in overleg te treden over een nieuwe tekst van de bijlage bij de cao en om binnen twee weken na afronding van het overleg hun betrokken leden te raadplegen over de met MMS overeengekomen nieuwe tekst.