Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22 april 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:2601

werknemer/werkgever

Opzegging wegens bedrijfseconomische redenen. Geen redelijke grond. Herstel arbeidsovereenkomst, maar niet met terugwerkende kracht omdat de stichting grotendeels met subsidies wordt bekostigd. Voorzieningen voor periode tussen einde arbeidsovereenkomst en hersteldatum.

Werknemer was in dienst van de stichting. Werknemer is doofblind en heeft een Wajong-status. Na verkregen toestemming van het UWV, is de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. Werknemer verzoekt herstel van de arbeidsovereenkomst (art. 7:682 lid 1 onderdeel a jo. art. 7:669 lid 3 onderdeel a BW). Hij voert primair aan dat er geen sprake is van een slechte financiële situatie dan wel een slechter wordende financiële situatie binnen de stichting.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het positief resultaat over 2015 ten opzichte van 2014 is weliswaar afgenomen en er is sprake van een negatief eigen vermogen, maar dat enkele gegeven is niet voldoende voor de conclusie dat de functie van werknemer moet komen te vervallen. Dit geldt temeer daar niet inzichtelijk is gemaakt wat de oorzaak is van het teruglopen van het afnemen van het positief resultaat. Bovendien wordt meegewogen dat de werkzaamheden die werknemer uitvoerde nog bestaan. De stichting heeft gesteld dat de PR-werkzaamheden thans door vrijwilligers wordt gedaan en dat zo de personeelskosten voor werknemer worden bespaard. Dat mag zo zijn, maar dan moet daar nog wel een redelijke grond voor zijn. Die volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit de in het geding gebrachte stukken. De stichting heeft voorts niet toegelicht wat de (positieve) gevolgen zijn voor de bedrijfsvoering doordat vrijwilligers nu PR-werkzaamheden verrichten. De stichting heeft daarnaast niet onderbouwd dat de toekomstverwachtingen meebrengen dat ingrijpen noodzakelijk is. Er was geen redelijke grond om de arbeidsovereenkomst op te zeggen en de stichting wordt veroordeeld tot herstel van de arbeidsovereenkomst en wel per 25 april 2016. Voor een herstel met terugwerkende kracht is geen aanleiding, gelet op het feit dat de stichting een onderneming is die grotendeels met subsidies wordt bekostigd.

Nu de arbeidsovereenkomst hersteld moet worden, kan de kantonrechter voor de periode tussen het einde van de arbeidsovereenkomst en de hersteldatum voorzieningen treffen. Werknemer is in het genot gesteld van een WW-uitkering. Nu er geen herstel plaatsvindt met terugwerkende kracht, is deze niet onverschuldigd betaald. Daarom wordt rekening gehouden met de uitbetaalde WW-uitkering. De stichting zal het netto equivalent van het bruto bedrag, welk bruto bedrag gelijk dient te zijn aan het verschil tussen het bruto maandsalaris inclusief vakantiegeld en de bruto WW-uitkering inclusief vakantiegeld, over de periode 1 november 2015 tot 25 april 2016, aan werknemer dienen te voldoen. Voor gemiste vakantiedagen behoeft geen voorziening te worden getroffen, omdat werknemer over die periode geen werkzaamheden heeft verricht. Voor het treffen van een voorziening van gemist pensioen is onvoldoende aanleiding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat werknemer wordt gecompenseerd tot diens laatstverdiende loon, zonder dat daar arbeid tegenover heeft gestaan. Bovendien heeft werknemer een transitievergoeding ontvangen, die blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 7:673 BW deels ziet op de gevolgen van een beëindiging van het dienstverband, waaronder ook begrepen gemist pensioen. Bij herstel van de arbeidsovereenkomst blijft de stichting deze verschuldigd en werknemer hoeft die dan ook niet terug te betalen. Weliswaar kan dit bedrag verrekend worden in de situatie als bedoeld in artikel 7:673 lid 4 onderdeel b in combinatie met lid 5 BW, maar dat staat er niet aan in de weg dat werknemer thans een deel kan aanwenden om gemist pensioen te compenseren.