Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 mei 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:3792
Federatie Nederlandse Vakbeweging/X c.s.
Bedrijven A en B drijven een onderneming gericht op (inter)nationaal transport van goederen over weg. Zij besteden geregeld werk uit aan zogenoemde ondervervoerders. Bedrijf A is gebonden aan de CAO Goederenvervoer van Nederland (hierna: GN-cao). Naast de GN-cao geldt er in de transportsector nog een andere cao, te weten de CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: TLN-cao). Deze laatste cao is algemeen verbindend t/m 31 december 2016. Beide cao’s bevatten een charterbepaling. FNV vordert onder meer bedrijven A en B te gebieden om bij het inschakelen van buitenlandse charters, voor ritten die in of vanuit de Nederlandse vestigingen van deze bedrijven worden uitgevoerd, te bedingen dat de chauffeurs in dienst van deze charters beloond zullen worden conform de basisarbeidsvoorwaarden van de cao. De kantonrechter heeft de vorderingen van FNV afgewezen. Tegen dit vonnis komt FNV in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bedrijven A en B op grond van artikel 44 GN-cao en/of artikel 73 TLN-cao (hierna: charterbepaling) in geval van overeenkomsten van onderaanneming aan de aan haar gelieerde vennootschappen gehouden is te bedingen dat die onderaannemers aan hun werknemers de basisarbeidsvoorwaarden van deze cao’s toekennen (hierna: bedingplicht). Bedrijf A is als lid van de vereniging Goederenvervoer Nederland gebonden aan de GN-cao. In het kader van de algemeenverbindendverklaring van de TLN-cao is aan werkgevers die gebonden zijn aan de GN-cao dispensatie verleend. Hierdoor is de TLN-cao niet op bedrijf A van toepassing. Bedrijf B is geen lid van de vereniging Goederenvervoer. De GN-cao is evenmin algemeen verbindend verklaard. Uit dien hoofde is de GN-cao niet op haar van toepassing. Bedrijf B is wel gebonden aan de TLN-cao, aangezien deze algemeen verbindend is verklaard en bedrijf B een werkgever is in de zin van artikel 2 TLN-cao. De charterbepaling maakt deel uit van de cao die betrekking heeft op goederenvervoer. Voor de situatie waarbij de vervoerder een opdracht tot vervoer heeft gekregen maar die opdracht niet zelf uitvoert en bij de uitvoering gebruik maakt van ondervervoerders, is in de cao de charterbepaling opgenomen. In dit licht kunnen de overeenkomsten die bedrijven A en B met derden sluiten om door hun verkregen opdrachten van vervoer van goederen door een derde partij te laten uitvoeren, worden aangemerkt als overeenkomsten van onderaanneming als bedoeld in de charterbepaling. Uit de tekst van de charterbepalingen blijkt dat de bedingplicht niet geldt voor iedere overeenkomst van onderaanneming. Er moet aan drie criteria zijn voldaan. FNV heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de groep buitenlandse chauffeurs waar zij het oog op heeft, voldoen aan deze drie voorwaarden. De enkele omstandigheid dat bedrijven A en B een opdracht van vervoer van goederen in onderaanneming geven aan een buitenlandse vennootschap ongeacht of dat vervoer vanuit Nederland aanvangt of Nederland als eindbestemming heeft, is ontoereikend om de charterbepalingen in de cao’s van toepassing te achten. Daarvoor zijn meer aanknopingspunten met de plaats van vestiging van bedrijven A en B nodig. Nu Bedrijven A en B gemotiveerd hebben aangevoerd dat de Roemeense en Litouwse bedrijven zelfstandig opererende vennootschappen in Roemenië en Litouwen zijn, de chauffeurs die de ritten uitvoeren bij die vennootschappen in dienst zijn, de opdrachten ritten betreft die buiten Nederland in Europa worden geladen en gelost en die chauffeurs bij groupagevervoer niet alleen een van bedrijven A en B verworven opdracht van vervoer uitvoeren, maar ook van andere opdrachtgevers, ontbreken die aanknopingspunten met de plaats van vestiging van bedrijven A en B in Nederland. Afgezien dat vervoer niet is genoemd in de bijlage van activiteiten waarop de Detacheringsrichtlijn van toepassing is en de GN-cao niet algemeen verbindend is verklaard, zoals artikel 3 lid 1 van de Detacheringsrichtlijn verlangt, is niet gebleken van een ‘transnationale dienstverrichting’ door bedrijven A en B als omschreven in artikel 1 lid 3 van de Detacheringsrichtlijn. Bovendien volgt uit lid 3 van de charterbepalingen dat de bedingplicht niet geldt voor arbeidsovereenkomsten die met een beroep op artikel 8 Rome I/artikel 6 EVO een beroep op de gehele cao kunnen doen. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.