Rechtspraak
werknemer/B.K.F. Kraanbedrijf B.V.
Werknemer is op 22 april 1985 bij B.K.F. Kraanbedrijf B.V. (hierna: BKF) in dienst getreden en sinds 1995 is hij aldaar werkzaam in de functie van kraanmachinist. Op 25 november 2005 is werknemer wegens nek- en schouderklachten uitgevallen. In het kader van re-integratie is werknemer, na een mediationtraject, gaan werken als terreinchef. Door het UWV is geconcludeerd dat deze functie niet geschikt is voor werknemer. Midden 2007 is werknemer ook voor dit werk uitgevallen. Bij beslissing van 5 december 2013 heeft het UWV aan BKF toestemming verleend om de arbeidsverhouding met werknemer op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. BKF heeft daarop de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd. Werknemer vordert thans onder meer een verklaring voor recht dat de opzegging kennelijk onredelijk is. Daarnaast vordert werknemer primair de veroordeling van BKF om werknemer weer tot zijn werk toe te laten en subsidiair de veroordeling van BKF tot betaling van een schadevergoeding ex artikel 7:681 BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft zijn vordering primair gegrond op de stelling dat de ontslagvergunning door BKF is verkregen onder opgave van een voorgewende of valse reden. De omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst door BKF met werknemer is opgezegd om bedrijfseconomische redenen is door werknemer niet gemotiveerd betwist. Onbestreden is de daartoe gestelde reden dat BKF al geruime tijd in financieel ‘zwaar weer’ verkeert, als gevolg waarvan zij reeds in 2010 en 2012 een aantal kranen heeft moeten verkopen en haar personeelsbestand aanzienlijk heeft moeten inkrimpen en dat zij in 2013 wederom genoodzaakt was vijf kranen te verkopen en zes medewerkers, waaronder werknemer, te ontslaan. Ook de overgelegde jaarcijfers van BKF wijzen uit dat het bedrijf verliesgevend was en, ondanks de ontslagronde van 2013, nog steeds is. De kantonrechter neemt die opzeggingsgrond derhalve als vaststaand aan. Voorts is – kort gezegd – niet gebleken dat BKF niet op de juiste wijze het afspiegelingsbeginsel heeft toegepast. Een en ander leidt tot het oordeel dat, alles afwegende, zowel de door BKF aan het UWV verstrekte informatie, als de daarop gebaseerde uitvoerig gemotiveerde beslissing van het UWV de toets der kritiek kunnen doorstaan. Van een valse of voorgewende reden is niet gebleken. Werknemer heeft zich voorts beroepen op het gevolgencriterium. Onder de gegeven omstandigheden is de kantonrechter echter van oordeel dat de door werknemer in dit verband aangedragen gronden niet de conclusie kunnen dragen dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking tot het belang van BKF bij de opzegging. BKF had een sterk bedrijfseconomisch belang bij een reductie van haar personeel teneinde de continuïteit van haar bedrijf te waarborgen. Anderzijds is voldoende komen vast te staan dat er sprake is van blijvende arbeidsongeschiktheid van werknemer voor zijn functie als kraanmachinist en dat er geen andere (passende) functie voor werknemer voorhanden was. Weliswaar leidt werknemer financieel nadeel ten gevolge van de opzegging, maar deze enkele omstandigheid betekent niet dat de gevolgen van de opzegging daarom voor werknemer te ernstig zijn in vergelijking tot het belang van BKF bij de opzegging. Dit laatste geldt evenzeer voor de omstandigheid dat – wegens de financiële situatie – geen ontslagvergoeding is aangeboden. Dat werknemer gedurende vele jaren werkzaam is geweest voor BKF maakt dat niet anders. Volgt afwijzing van de vorderingen van werknemer.