Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer c.s./Rotterdam Short Sea Terminals B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 3 juni 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:4139

werknemer c.s./Rotterdam Short Sea Terminals B.V.

Onvoldoende aannemelijk dat ontslag op staande voet, na verdenking van betrokkenheid bij spookfacturen met een beloop van € 2,6 miljoen, in bodemprocedure stand zal houden. Vooralsnog niet aannemelijk dat alle feiten komen vast te staan. Toewijzing loonvordering. Afwijzing wedertewerkstelling.

Drie werknemers (hierna: werknemers) zijn respectievelijk in 1985, 1993 en 2002 in dienst getreden bij Rotterdam Short Sea Terminals B.V. (hierna: RST). Werknemers maken deel uit van het Management Team van RST. In het kader van de accountantscontrole door KPMG over het boekjaar 2015 van RST is gebleken dat een aantal facturen afkomstig van ondernemingen van een medewerker van RST zogenaamde spookfacturen zijn. Later bleek het om facturen te gaan met een beloop van € 2.600.000, welke (op één na) door een andere medewerker namens RST zijn geaccordeerd. Op 11 april 2016 hebben besprekingen plaatsgevonden met werknemers en ingeschakelde onderzoekers omtrent de mogelijke rol van werknemers bij de fraude met de spookfacturen. Bij brieven van 13 april 2016 zijn werknemers op staande voet ontslagen. RST is gebleken dat werknemers in een whatsappgroep zaten met de reeds verdachte medewerkers. Uit de whatsappberichten blijkt dat werknemers aandeelhouders van de frauderende onderneming zijn. Uit de berichtenwisseling zou verder een zeer nauwe betrokkenheid van werknemers met de frauderende onderneming blijken. Werknemers vorderen in kort geding onder meer wedertewerkstelling, alsmede doorbetaling van loon.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van de loonvordering ligt ter toetsing voor het ontslag van werknemers op grond van een dringende reden, zoals geformuleerd in de ontslagbrief van 13 april 2016. Werknemers hebben RST niet gemeld dat zij aandeelhouders van de frauderende onderneming zijn geworden. Er zijn op zijn minst aanwijzingen voor een belangenverstrengeling die als zijnde in strijd met goed werknemerschap zou kunnen worden beoordeeld. Daar staat onder meer tegenover dat de aanwijzingen van een vooropgezet plan om RST te benadelen te weinig concreet zijn. Voorts moet opgemerkt worden dat RST het zelf kennelijk ook niet zo nauw lijkt te nemen met het trachten te voorkomen van belangenverstrengeling, nu het blijkbaar gebruikelijk was dat relatiegeschenken werden besteld bij het bedrijf van de echtgenote van de statutair directeur. Ten slotte is er echter een reeks van whatsappgesprekken die op zijn minst (grote) vragen oproepen. Het gaat daarbij onder meer om aangehaalde gesprekken die de indruk wekken dat uitgaven moeten worden verklaard en/of afgestemd en om gesprekken voorafgaand aan 11 april 2016, die de indruk (zouden kunnen) wekken dat sprake is van afstemming van een verweer op de beschuldigingen. Ook doen deze gesprekken twijfels rijzen over de integriteit van werknemers, mede gezien de functies die vervuld worden. Enkele kanttekeningen die gemaakt kunnen worden bij hetgeen feitelijk kan worden vastgesteld is dat van betaling door RST van onterechte facturen voor wijn vooralsnog niet is gebleken of aannemelijk geworden en datzelfde geldt voor het ten laste van RST brengen van onder meer privé-etentjes, (buitenlandse) reizen en privéaanschaf van kleding. Al met al is op dit moment niet aannemelijk dat alle aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden in een bodemprocedure zullen komen vast te staan. Dan rijst de vraag of het voor werknemers glashelder was dat wanneer slechts één of enkele van alle aangevoerde ontslaggronden zou (komen) vast te staan, ook ontslag op staande voet zou volgen. Naar voorlopig oordeel was dat niet het geval. Dit voorbehoud is in de ontslagbrieven niet opgenomen. Daarnaast zijn in de op 11 april 2016 (voorafgaand aan de ontslagbrieven) gehouden individuele gesprekken lang niet alle in de brieven van 13 april 2016 opgesomde feiten en omstandigheden (ontslaggronden) ter sprake gekomen en blijkt uit de transcripties vooralsnog onvoldoende op welke wijze en met welke inhoud de ontslagmededeling is gedaan. Verder blijkt vooralsnog niet dat RST zich bij het nemen van de ontslagbeslissing rekenschap heeft gegeven van de verplichting om de persoonlijke omstandigheden van werknemers daarbij in aanmerking te nemen. In dit verband zij opgemerkt dat het gaat om lange dienstverbanden en tot voor kort onberispelijke staten van dienst. Dit alles leidt ertoe dat onvoldoende aannemelijk is dat het ontslag in een bodemprocedure stand zal houden. De loonvordering wordt derhalve toegewezen. Gezien de feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor een terugkeer van werknemers op de werkvloer op dit moment geen plaats is. Volgt afwijzing van de vordering tot wedertewerkstelling.