Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Noord-Holland, 1 juni 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:4701

werkneemster/werkgever

Nu werkgever niet is geslaagd in de bewijsopdracht staat vast dat werkgever geen dringende reden had voor het ontslag op staande voet. Geen belang meer bij voorwaardelijke ontbinding. Arbeidsovereenkomst reeds van rechtswege geëindigd.

Werkgever is in de tussenbeschikking (zie AR 2015-1304) in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de moeder van werkneemster (hierna: de moeder) op 30 augustus 2015 aan een medewerker van werkgever (hierna: de medewerker) heeft medegedeeld dat werkneemster niet zal komen werken omdat zij er geen zin in heeft en dat geen sprake was van een ziekmelding.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De medewerker heeft verklaard dat hij op 30 augustus 2015 kort voor vijf uur werd gebeld door de moeder en dat zij heeft gezegd dat werkneemster niet zou komen werken omdat ze er geen zin in had. De medewerker heeft ook verklaard dat hij met 100% zekerheid kan zeggen dat er niets is gezegd over ziekte of een ziekmelding. De moeder heeft verklaard dat zij die bewuste dag tegen de medewerker heeft gezegd dat werkneemster ziek was en niet zou komen werken. De verklaringen van de medewerker en de moeder staan haaks op elkaar, maar de kantonrechter ziet geen aanleiding om meer gewicht toe te kennen aan de verklaring van de medewerker dan aan die van de moeder. Voor beide getuigen geldt dat bij de waardering van hun verklaring rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat zij niet onafhankelijk zijn, maar een relatie hebben met partijen. Er is wel aanleiding om meer gewicht toe te kennen aan de verklaring van de moeder, omdat deze verklaring de kantonrechter logischer en geloofwaardiger voorkomt. Het komt de kantonrechter onlogisch en onwaarschijnlijk voor dat de moeder alleen zou hebben gebeld om te vertellen dat werkneemster geen zin had om te komen werken. Een dergelijke mededeling is niet alleen ongebruikelijk en ongewoon, maar had ook door werkneemster zelf kunnen worden gedaan, zonder dat het nodig was daarvoor de moeder in te schakelen. Ook de overige bewijsstukken leveren geen bewijs op ten aanzien van hetgeen de moeder tegen de medewerker heeft gezegd. Nu werkgever niet is geslaagd in de bewijsopdracht, neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat werkgever geen dringende reden had voor het ontslag op staande voet op 30 augustus 2015. Het verzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet wordt dan ook toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW. De vordering tot loonbetaling zal eveneens worden toegewezen, nu de arbeidsovereenkomst voortduurt, zij het tot 18 februari 2016, omdat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan en van rechtswege is geëindigd op 18 februari 2016.

Het tegenverzoek van werkgever om voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen. Werkgever heeft verzocht de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden, namelijk indien het ontslag op staande voet wordt vernietigd. Op zichzelf is aan die voorwaarde voldaan. Echter, ook staat vast dat de arbeidsovereenkomst inmiddels van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht ontbinden. Dat betekent dat werkgever geen belang meer heeft bij zijn verzoek om voorwaardelijke ontbinding, zodat het verzoek om die reden wordt afgewezen.