Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Thuiszorg Het Friese Land/werkneemster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 juni 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:4550

Stichting Thuiszorg Het Friese Land/werkneemster

Verklaring voor recht in hoger beroep dat arbeidsovereenkomst in het verleden rechtsgeldig wegens een dringende reden is geëindigd, doet de arbeidsovereenkomst niet eerder eindigen. Artikel 7:683 BW staat beëindiging met terugwerkende kracht niet toe. Werkgever heeft geen belang bij een dergelijke vordering. Zes keer weigeren in gesprek te treden met werkgever na escalerend gesprek, levert geen dringende reden voor ontslag op.

Werkneemster is op 17 maart 2015 voor bepaalde tijd tot 29 februari 2016 als wijkverpleegkundige in dienst getreden bij Stichting Thuiszorg. In november escaleert een gesprek met haar regiomanager. Werkneemster weigert vervolgens in gesprek te treden met de regiomanager die haar herhaaldelijk daartoe uitnodigde. Werkneemster meldt zich vervolgens ziek. Op diezelfde dag heeft werkneemster per e-mail aan een aantal wijkteams en directe collega’s haar visie gegeven op de ontstane situatie en aangegeven dat de regiomanager aanstuurt op haar ontslag op staande voet. Bij brief van 12 november 2015 is werkneemster door Stichting Thuiszorg op staande voet ontslagen, omdat werkneemster heeft geweigerd in te gaan op het redelijke verzoek van haar leidinggevende voor een gesprek. Daarnaast is het vertrouwen weggevallen door het sturen van de e-mail aan de wijkteams. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van verwijtbaar gedrag aan de kant van werkneemster, maar dat Stichting Thuiszorg redelijkerwijs eerst een minder vergaande sanctie als schorsing of stopzetting van loon had kunnen opleggen. De opzegging wordt derhalve vernietigd. De arbeidsovereenkomst wordt op de g-grond per 1 maart 2016 ontbonden. Stichting Thuiszorg verzoekt in hoger beroep een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst per 12 november 2015 middels ontslag op staande voet is geëindigd.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof heeft bij aanvang van de mondelinge behandeling het petitum van het beroepschrift aan de orde gesteld en opgemerkt dat de beslissingen van de kantonrechter tot vernietiging van de opzegging en vervolgens tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, gelet op respectievelijk het zesde lid en het derde lid van artikel 7:683 BW, niet vernietigd kunnen worden. Aan Stichting Thuiszorg is gevraagd wat zij met haar hoger beroep wenst te bereiken, nu – zelfs indien het hof tot het oordeel zou komen dat de kantonrechter het ontslag op staande voet ten onrechte vernietigd heeft – een beslissing op de voet van artikel 7:683 lid 6 BW niet kan leiden tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tegen een datum die is gelegen voor (in dit geval) 1 maart 2016. Daarop heeft Stichting Thuiszorg geantwoord dat zij meer duidelijkheid wenst over haar instructiebevoegdheid. Met het oog op mogelijk toekomstige gevallen wil zij van het hof vernemen of in een geval als dit ontslag op staande voet op zijn plaats is. Volgens de Stichting heeft zij niet lichtvaardig naar het zwaarste middel gegrepen. Werkneemster heeft maar liefst zesmaal geweigerd om te voldoen aan de redelijke opdracht tot het voeren van een gesprek met de regiomanager, zij heeft geprobeerd de overige collega’s bij het conflict te betrekken waarbij zij vertrouwelijke informatie heeft verstrekt en heeft haar leidinggevende en de organisatie en passant geschoffeerd.

Naar het oordeel van het hof had Stichting Thuiszorg rekening moeten houden met de hoog opgelopen emotie bij werkneemster en zich moeten realiseren dat in deze situatie, zonder de-escalatie in een persoonlijk gesprek op initiatief van Stichting Thuiszorg (bij voorkeur kort na afloop van de bewuste vergadering), het vermelden van een verbetertraject in een uitnodiging voor een gesprek werkneemster op zijn zachtst gezegd onaangenaam zou verrassen, nu daarover niet is gesproken tijdens het ‘POP-gesprek’. Werkneemster heeft de inhoud van de eerste uitnodiging onder deze omstandigheden opgevat als een persoonlijke aanval en dat had de regiomanager als haar leidinggevende kunnen en moeten voorzien. De regiomanager heeft zich naar het oordeel van het hof tijdens de mondelinge behandeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat haar uitnodiging er een was ‘voor een gewoon gesprek’. Indien dat wel de bedoeling van de regiomanager was, dan heeft zij zich daarbij bijzonder ongelukkig uitgedrukt. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat Stichting Thuiszorg in het onderhavige geval met ontslag op staande voet voor een te zware sanctie heeft gekozen. Het voorgaande brengt mee dat het hof het hoger beroep zal verwerpen.

Daar voegt het hof nog het volgende aan toe. Zelfs indien het hof, anders dan het heeft gedaan, tot het oordeel was gekomen dat de kantonrechter het ontslag op staande voet ten onrechte had vernietigd, dan nog had het hof niet de door Stichting Thuiszorg verzochte verklaring voor recht kunnen uitspreken, nu een dergelijke verklaring duidelijkheid moet geven over het bestaan of de inhoud van een rechtsverhouding en dus tot rechtsgevolg moet kunnen leiden. Bij het mogelijke rechtsgevolg dat de WWZ hieraan in artikel 7:683 lid 6 BW verbindt, had Stichting Thuiszorg evenwel geen belang meer, nu ook de in dat artikellid bedoelde datum waarop het hof de arbeidsovereenkomst kon beëindigen niet had mogen liggen voor de datum van uitspraak: In de gevallen bedoeld in het zesde lid bepaalt de rechter in hoger beroep of cassatie op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Daarbij is het de appel- of cassatierechter niet toegestaan om een beschikking van de kantonrechter houdende een vernietiging van de opzegging te vernietigen, omdat de opzegging zelf dan zou herleven, hetgeen per saldo zou neerkomen op een (door het nieuwe stelsel niet beoogde) einddatum in het verleden (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 120 (MvT)). Dat Stichting Thuiszorg een rechtens te respecteren belang zou hebben bij de verzochte verklaring voor recht met het oog op toekomstige vergelijkbare gevallen gaat evenmin op: nu bij een ontslag op staande voet steeds alle omstandigheden van het individuele geval van belang zijn, zal van geheel vergelijkbare gevallen zelden of nooit sprake kunnen zijn.