Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Arbo Active B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13 juni 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:4415

werknemer/Arbo Active B.V.

Veroordeling werkgever tot betaling van de aanzegvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. In dit geval is het voor werknemer langere tijd duidelijk geweest dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Bedoeling wetgever artikel 7:668 BW.

Werknemer is op 1 maart 2015 voor bepaalde tijd, te weten tot 29 februari 2016, bij Arbo Active B.V. (hierna: Arbo Active) in dienst getreden in de functie van manager. De arbeidsovereenkomst is per 1 maart 2016 van rechtswege geëindigd. In geschil is thans of Arbo Active aan werknemer de aanzegvergoeding als bedoeld in artikel 7:668 lid 3 BW verschuldigd is.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat Arbo Active niet heeft voldaan aan de in artikel 7:668 lid 1 BW genoemde verplichting, nu zij werknemer niet uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigde schriftelijk heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten daarvan. Arbo Active is daarom in beginsel aan werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon over één maand. Gegeven de omstandigheden van het geval acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid echter onaanvaardbaar Arbo Active te veroordelen tot betaling van de door werknemer gevorderde vergoeding. Zoals uit de parlementaire geschiedenis WWZ (33818) blijkt, beoogt de wetgever met de in artikel 7:668 BW neergelegde wettelijke aanzegtermijn werknemers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst (meer) zekerheid te bieden met betrekking tot de vraag of de tijdelijke arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen termijn al dan niet door de werkgever wordt voortgezet. Daarnaast blijkt dat het wetsartikel tevens is bedoeld om een mondelinge toezegging van een werkgever dat de arbeidsovereenkomst wordt verlengd te formaliseren via in dit geval de schriftelijke aanzegplicht. Met deze aanzegplicht wil de wetgever voorkomen dat een werkgever wel al mondeling aan de werknemer toezegt de arbeidsovereenkomst te verlengen, maar deze toezegging vervolgens niet nakomt en de werknemer alsnog na het einde van het dienstverband op zoek moet gaan naar een nieuwe baan. In zoverre beoogt het wetsartikel de positie van de werknemer te versterken. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde e-mailcorrespondentie kan worden opgemaakt dat Arbo Active niet tevreden was over het functioneren van werknemer. Reden waarom zij begin oktober 2015 aan werknemer een voorstel heeft gedaan over de invulling van zijn dienstverband tot datum einde van de arbeidsovereenkomst, te weten 1 maart 2016. Vervolgens zijn partijen in onderhandeling getreden. Dit heeft erin geresulteerd dat werknemer tot datum einde contract is vrijgesteld van zijn werkzaamheden en dat hij op 15 oktober 2015 ook zijn laptop en gsm heeft ingeleverd. In de gevoerde correspondentie heeft Arbo Active ook verschillende keren te kennen gegeven dat werknemer vrijgesteld is van het verrichten van arbeid tot het einde van het contract. Daarnaast blijkt uit een e-mail van werknemer van 15 oktober 2015 dat hij op die dag afscheid heeft genomen van zijn collega’s. Verder staat vast dat werknemer tot 1 maart 2016 geen werkzaamheden meer voor Arbo Active heeft verricht. Dat hij zich op enig moment tot Arbo Active heeft gewend om hem weer toe te laten tot het werk is gesteld noch gebleken. Tussen partijen is in de periode van 15 oktober 2015 tot 1 maart 2016 geen contact geweest. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat vanaf 15 oktober 2015 bij werknemer ook maar enige onzekerheid heeft bestaan of kan hebben bestaan over de vraag of de tijdelijke arbeidsovereenkomst nog zou worden voortgezet. Het moet voor werknemer duidelijk zijn geweest dat die arbeidsovereenkomst op de tussen partijen afgesproken datum van 1 maart 2016 zou eindigen. De kantonrechter is van oordeel dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om in een geval als het onderhavige, waarbij voor de werknemer redelijkerwijze al langere tijd geen enkele onzekerheid of onduidelijkheid kan hebben bestaan over het niet voortzetten van de tijdelijke arbeidsovereenkomst, deze werknemer desondanks aanspraak te geven op betaling van de aanzegvergoeding als de werkgever zijn schriftelijke aanzegverplichting niet is nagekomen. Het verzoek tot veroordeling van Arbo Active tot betaling van de aanzegvergoeding wordt derhalve afgewezen.