Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 7 juni 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:4300
werkneemster/Makelaardij X
Op 15 september 2014 is werkneemster voor de duur van één jaar bij Makelaardij X in dienst getreden in de functie van ‘makelaar in onroerende vastgoed’. In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen. Bedoelde arbeidsovereenkomst is vervolgens verlengd tot en met 15 maart 2016. Tevens is weer een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst opgenomen. Vervolgens is ook de echtgenoot, de heer D, van werkneemster bij Makelaardij X in dienst getreden. Na afloop van zijn dienstverband is hij voor zichzelf begonnen. Op 15 december 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Makelaardij X, werkneemster en haar echtgenote. Werkneemster is tijdens dit gesprek geconfronteerd met het vermoeden van Makelaardij X dat werkneemster en haar echtgenoot klanten van Makelaardij X hebben benaderd en dat zij gelden hebben geïncasseerd die Makelaardij X toekomen. Werkneemster is vervolgens op 8 januari 2016 op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft vervolgens Makelaardij X gedagvaard. In die procedure vordert werkneemster betaling van het salaris. Thans verzoekt werkneemster het ontslag op staande voet te vernietigen en Makelaardij X te veroordelen tot betaling van het loon. Tevens vordert werkneemster een gefixeerde schadevergoeding en vernietiging van het concurrentiebeding. Makelaardij X voert gemotiveerd verweer.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Krachtens vaste rechtspraak moet het ontslag op staande voet zo spoedig mogelijk worden gegeven nadat de dringende reden zich heeft voorgedaan. Dralen met het verlenen van het ontslag is in het algemeen onverenigbaar met de vereiste dringendheid van de reden. Vast staat dat Makelaardij X werkneemster tijdens een persoonlijk gesprek op kantoor op 15 december 2015 heeft aangesproken op het onterecht incasseren van courtages door de onderneming van D. Tijdens dat gesprek heeft werkneemster, volgens zeggen van Makelaardij X, erkend dat zij samen met D een eigen onderneming begonnen was en dat zij gelden geïncasseerd heeft die aan Makelaardij X toekwamen. Nu onvoldoende gebleken is dat van de zijde van Makelaardij X na 15 december 2015 nog verder onderzoek nodig was naar het ontslag op staande voet, laat staan dat gebleken is dat daadwerkelijk nader onderzoek is ingesteld moet worden geconcludeerd dat het ontslag op staande voet rechtskracht ontbeert. Geheel ten overvloede overweegt de kantonrechter dat het ontslag op staande voet ook op inhoudelijke gronden geen stand kan houden. Zo kunnen de vermelde redenen in de brief van 8 januari 2016 het ontslag op staande voet niet dragen. Immers, uit de overgelegde appberichten blijkt dat er in de maand december 2015 veelvuldig contact tussen partijen is geweest, bovendien heeft op 15 december 2015 een bespreking plaatsgevonden en heeft telefonisch overleg tussen partijen plaatsgevonden. Derhalve kan niet gesteld worden dat werkneemster geen gehoor heeft gegeven aan verzoeken van werkgever om in contact te treden. Ook de tweede reden dat werkneemster zou weigeren opheldering te verschaffen over de hier openstaande zaken gaat niet op, aangezien werkneemster volgens de eigen stellingen van Makelaardij X in het gesprek op 15 december 2015, heeft bekend dat zij samen met D een eigen onderneming in de makelaarsbranche heeft opgezet. Ten derde geldt dat Makelaardij X niet concreet heeft gemaakt in welk opzicht werkneemster haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Kortom, ook op grond van inhoudelijke argumenten ontbeert het ontslag op staande voet rechtskracht. Derhalve is de vernietiging van het ontslag op staande voet toewijsbaar. Voorts heeft werkneemster betaling van het loon gevorderd. Makelaardij X heeft ten verwere aangevoerd dat werkneemster zich nimmer bereid en beschikbaar heeft verklaard tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden. Dat verweer slaagt niet. Het had op de weg van Makelaardij X gelegen om het ontslag opgedaan te maken en werkneemster op te roepen voor het verrichten van werkzaamheden. De loonvordering is dan ook toewijsbaar over de periode van 8 januari 2016 tot 15 maart 2016. Vervolgens moet de hoogte van het loon worden vastgesteld. Werkneemster heeft ervoor gekozen om min of meer op hetzelfde moment twee procedures aanhangig te maken, te weten de onderhavige verzoekschriftprocedure en een dagvaardingsprocedure, waarin zij de veroordeling van Makelaardij X vordert tot betaling van achterstallig salaris. Naar het oordeel van de kantonrechter ontbreekt een wettelijke grondslag voor voeging van een verzoekschriftprocedure met een dagvaardingsprocedure. Een en ander betekent dat in de dagvaardingsprocedure de hoogte van het salaris bepaald dient te worden. Er bestaat geen aanleiding om in deze procedure vooruit te lopen op de uitkomsten in de dagvaardingsprocedure. Wel bestaat er aanleiding om een bedrag van € 1.890,60 bruto per maand toe te wijzen. Voorts heeft werkneemster gefixeerde schadevergoeding gevorderd. De grondslag van dat verzoek is niet duidelijk. Wanneer werkneemster dat verzoek grondt op artikel 7:672 lid 10 BW ziet zij over het hoofd dat die vordering niet ingesteld kan worden naast de vernietiging van de opzegging. Zo werkneemster dit onderdeel van het verzoek grondt op artikel 7:681 lid 1 BW ziet zij over het hoofd dat ook dat artikel ervan uitgaat dat de werknemer kiest voor de vernietiging van de opzegging óf voor de billijke vergoeding. Ten slotte verzoekt werkneemster vernietiging van het concurrentiebeding. Hierover wordt als volgt geoordeeld. De arbeidsovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:653 lid 2 BW. Echter, in de arbeidsovereenkomst worden geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen genoemd. Het concurrentiebeding is derhalve nietig.